Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13

aan zich voorbehield, ') is op zichzelf wel een hinderpaal voor een geleidelijke en intensieve ontwikkeling van wetgeving in onze Overzeesche gebieden, maar is niet in strijd met wet en grondwet.

Alleen door al de leden van artikel 61 in verband te lezen, komen wij tot de grondwettelijk toebedeelde macht aan Koning en landvoogd en van dat standpunt uit bezien, moet men m.i. artikel 129 van het Nederlandsch-Indisch regeeringsreglement *) ongrondwettig verklaren, aangezien lid 4 van het grondwetsartikel den wetgever regeling van bepaalde onderwerpen slechts opdroeg „zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan''.

Buys 3) schrijft in deel I blz. 244, over de regeeringsreglementen':

„Wil dit nu zeggen, dat de wetgever op het voetspoor van de Grondwet, in zijne reglementen ook zou kunnen bepalen, welke onderwerpen door den Koning, welke andere door de wet moeten worden geregeld? Opdracht aan den Koning kon zeker voorkomen, want deze is in overeenstemming met de Grondwet en belet niet dat de wetgever, wanneer hij later van inzicht mocht veranderen en behoefte gevoelen de taak, den Koning opgedragen» zelf te vervullen, in elk geval vrij bleef om die behoeften te bevredigen en zelfden regel te wijzigen, welke hij zelf gesteld had. Maar opdracht aan de wet? Mij dunkt neen, want deze zou feitelijk neerkomen op eene ongeoorloofde uitbreiding van de Grondwet."

') Mr. C. C. v. HelsdSngen t. a. p. blz. 497; zie beneden blz. 42. *) Lid 1: De tarieven van in-, uit- en doorvoer worden vastgesteld door de wet. 3) De Grondwet 1883, op artikels 59 en 60.

Sluiten