Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

Een bewijs te meer, dat de grondwetgever met het voorschrift van lid 2 art. 61 een beginselenwet op het oog had.

Wanneer men van dit alles uitgaat, ligt het m. i. voor de hand, dat daar, waar de wetgever den Koning als de bevoegde autoriteit aanwees, deze niet het recht heeft zijn bevoegdheid aan den landvoogd over te dragen.

Hiermede heb ik getracht aan te toonen, dat de macht der landvoogden terug te voeren is tot de grondwet nl. tot artikel 61 lid 2 (gebod van wettelijke regeeringsreglementen), dat de Koning daar, waar de landvoogd voor bepaalde gevallen aangewezen is, geen recht heeft diens regelingsbevoegdheid aan zich te trekken,') noch ook om wat des Konings is aan den landvoogd te geven. 2)

In de Staten-Generaal heeft men zich deze quaestie nooit scherp voor oogen gesteld; alleen bij de behandeling van artikel 117 Suriname (138 Curacao) op 15 Mei 1865 merkt mr. Kappeyne van de Coppello 3) op:

»Als dus dit reglement den Rijkswetgever niet uitsluit, doch deze alleen zal optreden zoodra volgens artikel 59 der Grondwet het gevorderd wordt, dan rijst de vraag: wie zal, waar de wet niet spreekt, regelen? In dat geval blijft de keuze tusschen den Koning en de Koloniale Staten.

*) Anders de jongste practijk inzake artikel 75 (oud) regeeringsreglement, b.v. de Koninklijke regeling van het Kredietverband in 1908.

2) Anders de practijk o.a. inzake artikel 68 lid 1 regeeringsreglement (indeeling in gewesten).

3) Bordewijk, blz. 625.

Sluiten