Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16

heid tot regeling van het onderwerp wordt uitgesloten. Voor een bevestigend zoowel als voor een ontkennend antwoord zijn uit de in de Tweede Kamer gehouden discussiën argumenten te putten. De Regeering werd tot nog toe niet voor de vraag geplaatst of zoodanig onderwerp bij Koninklijk besluit mocht worden geregeld. Hoe men ook, in verband met het thans vigeerend Regeeringsreglement, over de vraag moge denken, wanneer zoodanige regeling noodig mocht blijken, moet het nemen van den maatregel niet kunnen afstuiten op mogelijken twijfel omtrent de Koninklijke bevoegdheid. Die bevoegdheid behoort vast te staan. Zij past in het stelsel van het Regeeringsreglement. Onbevoegdheid zou ook kwalijk te rijmen zijn met artikel 61 der Grondwet, waarbij wordt bedoeld dat de wetgever, door zelf te regelen, 's Konings bevoegdheid tot regeling kan beperken, maar dan ook uitgesloten is opdracht van wetgeving aan een andere macht, die de Koninklijke bevoegdheid te niet doet." ')

Wel komt de tweede kamer in haar voorloopig verslag van 10 April 1900 2) op tegen een terminologie als: „wetgevende macht van den Staat" en „de wetgevende Macht behoort aan de wetgevende Macht of aan den Koning", maar wat verder gezegd wordt over de regelingsbevoegdheid van gouverneur en Koloniale Staten op zichzelf en in verhouding tot die van den Koning, wordt zonder op- of aanmerking aangenomen, alsof de memorie van toelichting voor het koloniale staatsrecht aperte waarheden verkondigde. Waar bleven de specialiteiten voor het koloniale staatsrecht om eens duidelijk te maken, naar welk model en op welke grondslagen een Fransen van de

') Bordewijk, blz. 169. *) , blz. 170.

Sluiten