Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19

wettigheid voldaan. Evenzoo mr. DeSavornin Lohman') die echter van delegatie des Konings uitgaat.

De regeeringsreglementen, gewone wetten zijnde, kunnen den landvoogden weliswaar zooveel gezagsfuncties schenken, dat men kan spreken van een soort Koninkhjke macht, zij mogen hun echter niet een naar de grondwet den Koning toekomend recht opdragen. Ook hiervoor moet men aannemen, dat 's landvoogds macht in artikel 61, 2e lid der grondwet wortelt; immers, toen de grondwetgever in 1848 den Koning het gratierecht bleef toekennen in artikel 68 (66), wist hij dat reeds bij de Koninklijke reglementen van vóór 1848 den gouverneurs (-generaal) dit recht voor het territoir der overzeesche gebieden steeds toebedeeld was geworden en dat de wetgever in de komende organieke regeling het stellig wederom den landvoogd zou opdragen.

Waar nu echter het regeeringsreglement voor OostIndië den gouverneur-generaal in artikel 1 „in naam des Konings" de regeering over dat overzeesch gebied gelast, en waar de Westindische reglementen den gouverneur in artikel 29 zijn waardigheid „in naam en als vertegenwoordiger des Konings" laten uitoefenen, dienen wij de beteekenis dezer woorden nader te onderzoeken. Bitter weinig is over de bedoeling dezer uitdrukking bij het tot stand komen der reglementen gezegd.

In het voorloopig verslag der tweede kamer over het wetsontwerp voor het Oostindisch reglement

>) Onze Constitutie 1920, blz. 253.

Sluiten