Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

Minister Ruys de Beerenbrouck verklaart op 17 November 1921 echter:

„De uitdrukking, dat het bestuur wordt uitgeoefend, „in naam des Konings", beoogt het tweede lid te doen aansluiten aan het eerste lid, handelende over het opperbestuur des Konings. Het tweede lid is in tegenstelling met hetgeen de heer Dresselhuys heeft gezegd, in dit verband niet te missen. Die woorden „in naam des Konings" geven aan de verhouding van de Landvoogden, den Gouverneur-Generaal en de Gouverneurs, tot de Kroon; zij geven aan de verhouding, welke die Landvoogden ten aanzien van het door hen uitgeoefend algemeen bestuur innemen; zij zijn verantwoordelijk voor dat bestuur. De woorden „in naam des Konings" zijn zoo maar niet willekeurig genomen. Ik moge opmerken, dat zij voorkomen in de Regeeringsreglementen, zoowel in dat voor Nederlandsch-Indië, waar het te vinden is in artikel 1, als in dat voor Suriname en Curacau, artikel 29" ),

wil dus uit de woorden lezen de verantwoordelijkheid van den landvoogd jegens de Kroon.

Ook in de afdeelingen der eerste kamer is over die uitdrukking gediscuteerd; wij lezen n.1. in het voorloopig verslag over de ontwerpen tot grondwetsherziening 2):

„In het tweede lid van dit artikel 61 trok de uitdrukking „in naam des Konings" de aandacht. Door eenige leden werd aan deze woorden geen werkelijke, althans geen practische beteekenis toegek end. Anderen daarentegen noemden deze uitdrukking onmisbaar om den band aan te geven tusschen het Opperbestuur en het Algemeen Bestuur. Zij

') Handelingen tweede kamer 1921-1922, blz. 503. ») Handelingen eerste kamer 1921-1922, blz. 496.

Sluiten