Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26

afbakenen kan. Doch uit het ontbreken van die ophelderende woorden mag men niet „e contrario" redeneeren.

Wat schrijven nu de voorgestelde grondwetsartikelen I voor? Artikel 61, dat over het opperbestuur en het

i i i l. ■ j - „_„u„

verdere algemeen uesiuur m u.c uvcraratuc jcukuoi handelt en beide duidelijk uiteen houdt, schrijft in

het 2e lid vóór, dat uitsluitend dat gedeelte van de ■ bestuurstaak aan de Kroon blijft voorbehouden, welke grondwet en wet uitdrukkelijk bepalen.

Artikel 62 bepaalt, dat de regeling der inwendige aangelegenheden in de overzeesche gebieden, aan aldaar gevestigde organen, op de wijze bij de wet vast te stellen zal worden overgelaten, tenzij weer de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen of voor bepaalde gevallen aan den Koning is voorbehouden. Hier dus m. i. een duidelijk uitgesproken grondwettelijk recht der landvoogden op zelfstandig bestuur en zelfstandige regeling, hetwelk de Kroon hun niet ontnemen mag als de wet het hun heeft gegeven.

In de onlangs verschenen: „Proeve van een staatsregeling voor Nederlandsch-Indië" *), vinden we in artikel 47 een limitatieve opsomming van bestuurszaken ten aanzien van welke de tegenwoordige verhouding van opperbestuur en landvoogd blijft voortbestaan. Artikel 48 echter kent de Kroon, voor de overige aan den gouverneur-generaal overgelaten

') door Mrs. J. Oppenheim, J. Carpentier Alting, Ph. Kleintjes, C. van Vollenhpven, Oerip Kartodirdjo en Dr. C. Snouck Hurgronje; Briü, Leiden 1922.

Sluiten