Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

31

Hiervan uitgaande, wordt ons de plaatsing van artikel 21 der Westindische reglementen duidelnk, immers het artikel komt voor in de eerste afdeeling van het tweede hoofdstuk, handelende over benoeming, ontslag en verantwoordelijkheid van den gouverneur. Gaat men van de meening uit, dat artikel 21 een algemeene verhouding moet weergeven tusschen den Koning en zijn vertegenwoordiger in de overzeesche gebieden, dan ware het artikel, althans zijn bewoordingen „met stipte inachtneming van 'sKonings bevelen", beter geplaatst geweest in de tweede afdeeling, handelende over de macht van den gouverneur.

In de memorie van toelichting ') op artikel 21 wordt gezegd, dat het te vergelijken is met artikel 37 van het Nederlandsch-Indisch reglement, en verder dat alle macht, bij het regeeringsreglement den gouverneur opgedragen, hem alleen gegeven is om er gebruik van te maken overeenkomstig de instructiën, die hij van den Koning ontvangt. Volgens deze uitlating en zou men weer geneigd zijn te verklaren, dat er geen reden tot twijfel omtrent de strekking meer bestaat. Maar de openbare beraadslaging op 9, 10, 11, 12 en 16 Mei 1865 in de tweede kamer leert ons, dat de afgevaardigden niet die algemeene bedoeling in het artikel lazen, doch in zijdelingsch verband de positie van den gouverneur ten opzichte van de Koloniale Staten en Staten-Generaal bespraken, waarbij tevens de vraag te berde kwam, of het wetsontwerp het constitutioneele stelsel voor deze overzeesche gebieden beoogde. Eenige uitlatingen van de heeren W. van Goltstein en Kappeyne van de Coppello doen weer

') Bordewijk, blz. 86.

Sluiten