Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32

wel vermoeden, dat beiden de quaestie van de Koninklijke bevelen onder het oog zagen; althans mr. Van Goltstein zegt o.a. op 9 Mei 1865: ")

„Wordt het regeringsvoorstel tot wet verheven; wordt het beginsel van vertegenwoordiging toegepast volgens de bepalingen, door de Regering ontworpen, dan zal een van beide daarvan het gevolg zijn; öf de Gouverneur wordt de slaafsche dienaar van de Staten, öf wel de geheele vertegenwoordiging wordt 'een ijdele vertooning.

En wanneer een van deze twee gevolgen niet uit deze wetsvoordragt voortkomt, dan zullen er steeds botsingen zijn en een toekomst van twisten en oneenigheden", terwijl mr. Kappeyne van de Coppello, dien het openbaar gerucht aanwees als de auctor intellectualis van het wetsontwerp, op 10 Mei 1865 het volgende laat hooren:2)

„Wat aangaat de beperking Van de magt des Gouverneurs, waarin bestaat die beperking? De geachte afgevaardigde uit Hoorn (Mr. W. baron van Goltstein) vindt het verkeerd dat hij onverantwoordelijk is aan de Koloniale Staten, en de geachte afgevaardigde uit Amersfoort (Mr. J. K. baron van Goltstein) dat hij daaraan juist verantwoordelijk wordt gemaakt. Mijns inziens heeft geene dier beide bedenkingen eenige kracht; de laatste niet, omdat zij steunt op een onjuiste opvatting. Eene strafregtelijke onverantwoordelijkheid van den Gouverneur eener kolonie is niet denkbaar, in denzelfden zin, waarin het hoofd van den Staat regtens onvervolgbaar is. Doch er wordt bepaald dat de Gouverneur alleen vervolgd kan worden in Nederland; hij is dus niet verantwoordelijk voor den regter in de kolonie, maar voor

') Bordewijk, blz. 87. 2) Bordewijk, blz. 88.

Sluiten