Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37

kwamen met artikel 44, overeenkomstige artikelen voor in de Oostindische reglementen van 1815 (artikel 14 en 15), 1818 (artikel 24 en 25), 1827 (artikel 24 en 25), 1830 (artikel 27 en 28), 1836 (artikel 22 en 23), waarbij den landvoogd eveneens voorgeschreven werd de Koninklijke bevelen in acht te nemen '). Artikel 63 werd nieuw ingevoerd in 1854. Met de artikelen 44 en 63 overeenkomstige artikelen in de reglementen van de West zijn uit den aard der zaak niet aan te wijzen (alleen zou men, voor artikel 44, aan onze Surinaamsche verdragen met de boschnegers kunnen denken, die behandeld werden in de bijdragen van het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land-en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, deel 71, 1916, en waarvan laatstelijk een voorbeeld van September 1921 is medegedeeld in de West-Indische Gids van Mei 1922).

In de bescheiden over het tot stand komen der wet zal men slechts in de memorie van antwoord van December 18532) een vrij vage aanduiding vinden omtrent aard, strekking en omvang van de in artikel 20 genoemde Koninkhjke bevelen:

„In artikel 22*) is de gewone wetgevende bevoegdheid van den Gouverneur-Generaal tot het vaststellen van algemeene verordeningen, niet aan hooger magt voorbehouden, omschreven. Uit de ingelaschte woorden „en van 's Konings bevelen", volgt onder andere, dat de Gouverneur-Generaal

') Grashuis, Mr. G. J., De Regeerings-Reglementen van Nederlandsch-Indië, 1893. *) Keuchenius III blz. 493. *) Van het ontwerp, artikel 20 der wet.

Sluiten