Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38

aan de goedkeuring des Konings onderwerpt alle zoodanige door hem uitgevaardigde verordeningen, omtrent welke de Koning zich die goedkeuring voorbehoudt.

Deze uitlegging geeft weinig houvast, want in hoeverre de Kroon bij de regeling van onderwerpen, die niet aan haar zijn voorbehouden, den landvoogd nog aanwijzingen kan geven, staat niet te lezen, terwijl door de woorden „onder andere" in den tweeden zin, de Koninkhjke bevelen niet uitsluitend noodig geoordeeld worden bij de zoogenaamde ordonnantiën met Koninkhjke medewerking. ') Is nu, door deze woorden in artikel 20 op te nemen, de geheele regelingsbevoegdheid van den gouverneur-generaal onder het toezicht des Konings gebracht? Het antwoord heb ik reeds gegeven in het voorgaande hoofdstuk: de wettelijke vaststelling van het reglement heeft m. i. aan de koninkhjke bevelen een ander cachet gegeven, de landvoogden zijn niet langer uitsluitend 's Konings vertegenwoordiger, maar tevens uit kracht der wet orgaan van het overzeesche gebied, hunne bevoegdheden wortelen in een organieke wet. Daar waar den Koning regeling wordt opgedragen, is m. i. de landvoogd uitgesloten; heeft de wetgever echter de regeling overgelaten „bij algemeene verordening", dan komt de Kroon daarvoor het eerst in aanmerking volgens haar grondwettige positie, maar kan dit ook den landvoogd overlaten, hier blijve het vruchtbare terrein voor de Koninkhjke bevelen. Aanhalen itunnën\wij

') Mr. J. J. Schrieke, De Ordonnantie met Koninklijke medewerking. Acad. proefschrift, Leiden 1909.

Sluiten