Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

55

en daarmee is m. i. een niet te onderschatten gevaar voor verwikkelingen, zoowel tusschen de ministers onderling, als ten opzichte der landvoogden, afgewenteld. De overige hoofden der ministerieele departementen zullen zich steeds tot den minister van koloniën moeten wenden, wanneer zij besluiten of beschikkingen ook in de overzeesche gebieden willen laten gelden. De minister van koloniën is het „adres", waartoe de Staten- Genereal zich te wenden hebben om het toezicht te oefenen over het bestuur der overzeesche gebieden; een „adres", door mr. Troelstra besproken op 16 November 1921 bij de debatten over de grondwetsherziening, in woorden, welke wij hier laten volgen:

„De heer Dresselhuys heeft critiek uitgeoefend op het Regeeringsvoorstel, en wat hij heeft gezegd omtrent den Gouverneur-Generaal en de Gouverneurs, die in naam des Konings bestuur uitoefenen, komt mij voor juist te zijn. Voor mij is het belang van de toekenning van het opperbestuur aan den Koning — ik wijs er op, dat niet alleen het Regeeringsvoorstel, maar ook alle ingediende amendementen tot dat van den heer van Ravensteijn toe, vasthouden aan het opperbestuur des Konings — niet alleen, en misschien niet allereerst gelegen in de macht, die daardoor aan den Koning wordt gegeven. Die macht toch wordt op verschillende manieren, zoowel in het Regeeringsvoorstel als in het amendement-Marchant, beperkt, maar voornamelijk van belang is het feit, dat daardoor een verantwoordelijk „adres" wordt gegeven, waartoe de Staten-Generaal zich hebben te wenden. Wanneer zij hun plicht van controle over het bestuur der overzeesche gebieden vervullen." )

') Handelingen tweede kamer 1921-1922, blz. 492.

Sluiten