Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

62

leiding van het bestuur in de overzeesche gebieden, welke daardoor zal ontstaan, kunnen wij geen voordeel stellen. De landvoogd zal slechts naar zijn beste weten en kunnen, gedurende zijn onderkoningschap, het hem opgedragen bewind waarnemen.

De gouverneurs-generaal Loudon (1872—1875), s Jacob (1881—1884) en Van Rees (1884—1888) hebben het tot gewoonterecht geworden vijfjarig tijdvak van hun bewind niet ten einde toe gevoerd, doch tusschentijds den Koning hun ontslag aangeboden, welke demissies in nauw verband staan met de politieke verantwoordelijkheid der landvoogden.

Gouverneur-generaal Loudon, meer op aandringen van anderen (o.a. Thorbecke) dan uit eigen ambitie het onderkoningschap aanvaard hebbende, maakte een zeer onrustig bewindstijdvak door. Hij was de landvoogd, die Atjfeh den oorlog verklaarde, een oorlog die zeer omineus begon en schatten gelds kostte; dus werd hij door Staten-Generaal en het publiek heftig in woord en geschrift aangevallen en zijn beleid afgekeurd. ') Artikel 44 van het reglement bepaalt, dat de gouverneur-generaal oorlog verklaart aan en vrede maakt met Indische vorsten en volken, „alles met inachtneming van de bevelen des Konings." Loudon had minister Fransen van de Putte getrouw van alle omstandigheden en onderhandelingen op de hoogte gehouden, doch een oogenblik kwam, dat langer dralen niet mogelijk was, en de gouverneur-generaal zond

') Men leze over de geschiedenis der oorlogsverklaring: J. I. de Rochemont, Loudon en Atsjïn, 18/5.

Sluiten