Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

63

op 22 Februari 1873 het volgende telegram naar den Haag:

„Ik heb den Raad van Indië gepresideerd ). De Kommandanten van Land- en Zeemagt waren tegenwoordig. Allen, zonder onderscheid, waren het volkomen met mij eens, dat wij zoo spoedig mogelijk een Regerings-Commissaris, vergezeld van de noodige Land- en Zeemagt, haar Atsjin moeten zenden, met het ultimatum: erkenning onzer Souvereiniteit of oorlog. Ik heb dienovereenkomstig besloten." J)

Nog denzelfden dag telegrafeert de minister ten antwoord:

„Voor dat onwil, om aan onzen eisch te voldoen, behoorlijk gebleken is, debarkeren de troepen natuurlijk niet te Atsjin."

Een voorbeeld, hoe een Koninklijk bevel in zulke gevallen slechts kan luiden, immers de minister had als eenige bron van zijn kennis om over de toestanden te oordeelen de telegrammen van den landvoogd, aan vvien hij ten slotte moest overlaten te beslissen over de laatste hangende quaestie, of er aan het ultimatum „behoorlijk" zou zijn voldaan. Inderdaad is het zoo vreemd niet, wanneer wij den minister op 16 Januari 1874 in de eerste kamer hooren zeggen:

„De heer Cremers meent dat de vruchten, die wij zullen trekken van den oorlog tegen Atchin, niet waard zijn al hetgeen daarvoor uitgegeven is. Ik ben het volkomen met

') Artikel 28 letter b van het regeeringsreglement.

2) De Rochemont, t. a. p. blz. 63; de telegrammen zijn door De Rochemont bijgewerkt voor den lezer. Wij citeeren slechts datgene wat voor ons van belang is.

Sluiten