Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72

rekenschap te geven" '), doch te voren speelde zich onze staatsrechtelijke quaestie per brief af, in brieven waarin de gemoedelijke toon van vroeger moeilijk terug te vinden is. Voor ons vraagstuk is van belang dat gedeelte van den brief van den landvoogd aan Elout van 12 Juli 1825, waarin hij naast het opsommen van vele grieven, den minister de vraag stelt, of de Koning met zijn aanschrijving wel accoord gaat en dus een beroep doet op de persoon des Konings. „Ik durf mij zeiven het getuigenis geven, van, sedert den aanvang van mijn bestuur, onafgebroken alle mededeelingen gedaan, en alle ophelderingen aan Zr. Ms. Gouvernement in Nederland gegeven te hebben, welke ik oordeelde dat op eenige wijze middelijk of onmiddelijk aan voorschreven oogmerk bevorderlijk konden zijn; en ik zal Uwe Excellentie dus ook niet behoeven te verzekeren, hoe aangenaam het mij heeft moeten wezen, bij Uwer Excellentie's ministerie die zelfde bedoeling in Hare correspondentie aan te treffen.

Uwe Excellentie veroorlove mij echter, met dezelfde opregtheid, waarmede ik deze verklaring afleg, Haar tevens te betuigen, dat ik, aan den eenen kant, met leedwezen, en aan de andere zijde, niet zonder groote gevoeligheid, heb opgemerkt, dat de meeste en voornaamste van Uwer Excellenties aan mij gerigte dépêches, eene algemeene en zelfde strekking hebben, welke, naar mijne overtuiging, niet met 's Konings belang overeenstemt, noch zoo ik vertrouw met Hoogstdeszelfs wil en bedoelingen kan stroken, en welke ik, zoo lang die overtuiging bij mij blijft bestaan, niet met stilzwngen mag voorbijgaan, zonder aan de pligteii, die ik onmiddelijk aan Z. M. verschuldigd ben, en zonder aan de regten, die mij door den Koning zijn toegekend, zoo wel

') Aldaar in brief d.d. 29 Nov. 1825 blz. 217-

Sluiten