Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

83

Een veel dieperen blik in de quaestie geeft ons een debat in de eerste kamer op 28 en 29 December 1893 tusschen minister Van Dedem en den oudminister Fransen van de Putte, bij de behandeling van de Indische begrooting voor 1894. Zooals gewoonlijk dringt Van de Putte in duidelijke woorden tot de kern door:

„Door mij is ook. in de afdeeling besproken de quaestie van Ministerieele aanschrijvingen in verband met de geest en letter van het Regeeringsreglement. Ik heb gevraagd: hebben de aanschrijvingen van den Minister van Koloniën dezelfde rechtskracht, als die Welke het Regeeringsreglement aan de bevelen, des Konings toekent? Zijn de aanschrijvingen van den Minister van Koloniën uit kracht zijner benoeming tol dat hooge Staatsambt als bevelen des Konings te beschouwen? Met andere woorden: is de akte van benoeming een algemeene delegatie van macht van den Koning op den Minister van Koloniën ? Een zeer moeilijke vraag, die niet gemakkelijk in een of anderen zin is te beantwoorden. De verhouding tusschen het opperbestuur en den Minister van Koloniën is niet zoo zeer een zaak van geschreven bepalingen, dan wel afhankelijk van omstandigheden van het juist begrip van elkanders bevoegdheid en verantwoordelijkheid; het is een quaestie van goede verstandhouding van temperament, van meer of mindere prikkelbaarheid, van humeur, doch waarbij 's lands zaken in hooge mate betrokken zijn.

Artikel 20 van het Regeeringsreglement bepaalt, dat de Gouverneur-Generaal bevoegd is om ordonnantiën overeenkomstig de bevelen des Konings uit te vaardigen. In de Memorie van Antwoord leest men: „Van een gewoonte om bij Ministeriëele aanschrijving onderwerpen van Staatsbestuur te regelen, waarvan de regeling volgens artikel 20 van het Regeeringsreglement aan 's Konings bevelen is voorbehouden, is den ondergeteekende niet gebleken."

Sluiten