Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

87

Had de Minister van Koloniën nu geantwoord: het is eigenlijk niet juist, wij hebben ons verschreven, dan zou het de moeite niet waard zijn, er verder over te spreken. In de Memorie van Antwoord komt de Minister echtereen verklaring geven, hoe het is gekomen, dat het telegram op die wijze is opgesteld. Uit niets blijkt evenwel, dat de Minister inziet, dat toch inderdaad deze wijze van uitdrukken niet overeenstemt met onze staatsrechtelijke beginselen. Ik zou dus den Minister wel willen verzoeken, om in het vervolg ook aan dergelijke zaken aan rijn Departement wat meer aandacht te schenken." )

Of de gouverneur-generaal (Idenburg, 1909—1916), beinvloed werd door 's ministers „onjuiste wijze van uitdrukken" in officieele stukken, of dat de wisselwerking juist andersom is geweest, kunnen vrij niet uitmaken, doch in ieder geval weten wij door een onthulling van den minister van Oorlog De Jonge, op 17 en 18 April 1918 in de eerste kamer, dat gouverneur-generaal Idenburg gedurende zijn bewind den minister eens gevraagd moet hebben naar 's Konings meening omtrent een zijner aanschrijvingen:

„Tusschen den Minister van Koloniën en den GouverneurGeneraal bestaat naar mijn gevoelen een verhouding, die min of meer gelijk is aan die tusschen den Minister van Oorlog en den Opperbevelhebber. Ook de GouverneurGeneraal moet een zeer groote mate van zelfstandigheid hebben om het Indisch beleid te kunnen voeren en aan den anderen kant bestaat et toch een verhouding van ondergeschiktheid van den een tegenover den ander, wat zoolang de Minister verantwoordelijk is, niet is te ontgaan. Wij

») Handelingen eerste kamer 1916-1917, blz. 671.

Sluiten