Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

houding voor iemand, die inderdaad een slecht financieel beleid gevoerd had, wel wat al te hautain. Na 1848 en 1864 daarentegen treden twee nieuwe factoren op, waarvan het belang van de eerste doorgaans te zeer overdreven is, dat van de laatste te zeer verkleind. Zelfs den paladijn voor de ministerieele verantwoordelijkheid, Thorbecke, werd dit te erg, en in zijn rede over de Koninkhjke bevelen, welke wij reeds in hoofdstuk III aanhaalden, kwam hij op voor meerdere zelfstandigheid van den landvoogd, gegrond op het regeeringsreglement:

„Kan van die magt om hier bevelen te geven, waardoor zonder eenigen twijfel de magt van den Gouverneur-Generaal moet beperkt zijn, niet een groot misbruik worden gemaakt, een misbruik, dat den Gouverneur-Generaal belet, in welken zaak ook te beslissen, alsvorens hij van hier vernomen hebbe, wat te doen? Is dat overeen te brengen met de Grondwet en met het Regeringsreglement, de wettelijke instructie van den Gouverneur-Generaal?" ) Het klinkt eenigszins anders, dan zijn rede bij de behandeling van artikel 37 voor het Indisch regeeringsreglement, ofschoon wij dadelijk toegeven, dat Thorbecke het daar speciaal heeft over het afleggen van rekenschap en verantwoording aan den minister; hetzelfde was reeds dertig jaar eerder gezegd door Elout.

En Fransen van de Putte, wie zou beter van de practijk op de hoogte kunnen zijn, waarschuwt op 28 December 1893 in de eerste kamer weer tegen het

1) 24 November 1859. Handelingen tweede kamer 18591860, blz. 300; Onuitgegeven parlementaire redevoeringen, deel 5, blz. 208.

Sluiten