Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

Het is wederom tegen deze ministerieele aanschrijvingen, dat de oud-gouverneur-generaal mr. Pijnacker Hordijk in de eerste kamer op 28 December 1894') zijn waarschuwende stem laat hooren:

„Schrijf niet te veel brieven aan den Gouverneur-Generaal en laat die van den Gouverneur-Generaal niet te lang op uw bureau liggen."

Een voorbeeld te meer van het ministerieel regime. En nu de schrijvers.

Margadant3) heeft ook in deze quaestie een uitgesproken oordeel:

„De wilsuiting toch van den Koninklijken opperbestuurder / . kan den gouverneur-generaal nooit op andere wijze worden i kenbaar gemaakt dan door den minister; kabinetsmissives, I aanschrijvingen, depêches of in welken vorm de wilsuiting ƒ van het opperbestuur gehuld moge worden, en onverschillig wat ze bevatten, gedachtenwisseling tot voorbereiding van maatregelen, of bevelen, of beschikking, of wat anders ook, die allen emaneeren van den verantwoordelijken minister, en hoe die in het leven worden geroepen, hetzij na voorafgaand overleg met de Kroon, hetzij zonder dit, is eene zaak, die alleen de Kroon en den minister raakt, want voor ieder ander is de minister altijd het voertuig van den \ Koninklijken wil." |

Prof. De Louter, 3) na gewezen te hebben op de ministerieele verantwoordelijkheid, vervolgt:

') Handelingen eerste kamer 1894-1895, blz. 66. *) Het Regeeringsreglement van Nederlandsch-Indië, I, 1894, blz. 246-249.

*) Handboek van het Staats- en Administratief Recht van Nederlandsch-Indië, 6e druk, 1914, blz. 177-179.

Sluiten