Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

94

217a) voorafgaande machtiging des Konings eischte '). Minister de Brauw, in het nauw gedreven, beroept zich op 15 Februari 1883 op de gewoonte van al zijn voorgangers, ook na 1848,2) doch mr. Rutgers van Rozenburg had op 14 Februari 1883 reeds een afdoend oordeel uitgesproken: 3)

„Dat is geen besluit, ook geen ongecontrasigneerd besluit, om de eenvoudige reden, dat er aan ontbreekt niet slechts de onderteekening van den Minister, de bijzaak, maar veel meer dan dat: de onderteekening van den Koning de hoofdzaak. Wij hebben hier een stuk, dat niets is, en nooit iets kan worden, al zette het geheele gezelschap van zeven Ministers zijne handteekening er onder."

Dit wordt gezegd over en uitgemaakt voor een stuk, waaruit de landvoogd den Koninklijken wil kan leeren kennen, bij een ministerieele aanschrijving moet hij deze vermoeden.

Een alleenhandelenden Koning kent ons staatsrecht niet, maar kan de minister in~alles eigenmachtig optreden? Reeds Van Dedem wees daarop, en de onthulling van minister De Jonge leert ons, hoe het practische staatsrecht toch aan de theorie moet aansluiten.

In hoofdstuk IV be spraken wij de verantwoordelijkheid van den minister voor den landvoogd en hoe deze laatste met het regeeringsreglement in de hand zijn eigen verantwoordelijkheid kan afpalen.

') P. H. van der Kemp, Billiton-opstellen, 1886, blz. 33-45; Schrieke, blz. 26-41.

J) Handelingen tweede kamer 1882-1883, blz. 995. *) Aldaar, blz. 975 en 976.

Sluiten