Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

97

Minister Van Dedem b.v. niet herhaaldelijk beproefd had zijne inzichten omtrent de grens tusschen heeren- en dessadiensten in Indië ingang te doen vinden, dan zoude de zaak zeker spoediger kunnen zijn afgedaan. En hoe sterk een landvoogd zich aan de ministerieele bevelen gebonden acht, leert ons de telegramwisseling over de oorlogsverklaring aan Atjèh1), tusschen minister Fransen van de Putte (1872—1874) en gouverneur-generaal Loudon (1872—1875). In een telegram van 18 Februari 1873 had de minister den landvoogd aanbevolen den vice-president van den Raad van Indië naar Atjèh te zenden als regeeringscommissaris.2) Loudon antwoordt per telegram van 22 Februari 1873, hiertoe wel genegen te zijn, maar verzoekt dan om opheffing van het ministerieel verbod van 24 Augustus 1859, hetwelk het zenden van den vice-president niet toeliet3) en nog denzelfden dag deed de minister den landvoogd weten, dat hij het ministerieel verbod ingetrokken had. 4) Artikel 36 van het regeeringsreglement van Nederlandsch-Indië verbiedt de gouverneur-generaal den vice-president van de Raad van Indië met bijzondere commissiën of zendingen in Nederlandsch-Indië te belasten, daar hij steeds ter hoofdplaats aanwezig moet zijn; der-

•) Zie boven, blz. 63.

*) T. I. de Rochemont, Loudon en Atsjin, 1875, blz. 43.

') Dit was een besluit van minister Rochussen, (1858-1861). Aanleiding tot het uitvaardigen er van was geweest het zenden van De Perrez naar Boni door gouverneur-generaal Pahud (1856-1861). Zie boven, blz. 47.

4) De Rochemont, blz. 64.

7

Sluiten