Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

98

halve stond genoemd ministerieel verbod volkomen overbodig naast het regeeringsreglement, doch erger lijkt het ons, dat zoowel minister als landvoogd meer waarde hechtten aan een ministersbeschikking dan aan een wetsartikel.

Nogmaals wordt een scherp oordeel geveld over het ministerieel bevel in het voorloopig verslag der eerste kamer over de Indische begrooting van 1895 '):

„De Minister van Koloniën heeft volgens zijn betoog het recht en den plicht zijn' inzichten aan den GouverneurGeneraal kenbaar te maken, doch bevelen kunnen aan dezen slechts worden gegeven door het Opperbestuur, niet bij ministerieel rescript. Men gevoelt het gewicht der onderscheiding. Heeft de Minister van Koloniën het recht om den Gouverneur-Generaal bij aanschrijving bevelen te geven, dan is de verzoeking tot eindelooze inmenging in diens bestuur groot en loopt de zelfstandigheid van den GouverneurGeneraal gevaar. Wordt daarentegen tot het uitvaardigen van een bevel de Koninklijke medewerking vereischt, dan I is de Gouverneur-Generaal tegen overdreven en ongewenschte I inmenging voldoende gewaarborgd,"

Tegenover de opinies van Margadant en De Louter willen wij die stellen van De Waal, den lateren minister van koloniën (1868—1871) 2).

,,De Gouverneur-Generaal is de ondergeschikte van den Koning, die geene bevelen geeft zonder den minister van Koloniën; niet van den minister, die bevelen zou kunnen geven zonder den Koning. De bevelen, die hij te ontvangen heeft, moeten den koninklijken stempel voeren. Het zijn,

') Handelingen eerste kamer 1894-1895, blz. 33.

2) De koloniale politiek der grondwet, 1863, blz. 340.

Sluiten