Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

in handel, industrie, bankwezen of journalistiek, ging haast geen enkele jonge man van beteren huize. Op hun landgoed, in hun garnizoen of op hun ministerie voelden zij zich thuis; daar waren zij onder elkander en voerden een zeer gezellig en buitengemeen genoegelijk leven. De Joodsche jonge mannen zonder geld, die zich met lessen geven (ik ken er verscheidene, die sneeuw geschept en vuil geveegd hebben) door de universiteit heenhielpen, pakten aan wat in hun handen kwam; in banken, in het krantenwezen, in zaken van allerlei aard drongen zij binnen; de oeconomische opbloei van Hongarije na de onafhankelijkheid van 1867 stelde hen in staat, met succes nieuwe zaken te beginnen; thans is het zoover, dat haast alle banken, kranten, fabrieken en groote zaken in Budapest aan Joden hooren. Natuurlijk liet de andere partij zich dat maar niet zonder meer welgevallen: antisemitisme was aan de ministeries en in de kazerne iets vanzelf sprekends. Benoemingen van daar uit zeefden de Joden zooveel mogelijk door: de staatscholen (in tegenstelling met de stedelijke) hadden haast geen Joodsche leerkrachten; een Joodsche beroepsofficier bestond niet; een Joodsche professor evenmin; de knapste Jood kon het niet verder brengen dan privaat-docent; men denke b.v. aan Barany, houder van den Nobel-prijs, die ten slotte een academischen zetel te Upsala in Zweden kreeg.

Het behoeft daarom niet te verwonderen, dat de nieuwe Christelijke aera in Hongarije den Joden van veel kwaad den schuld geeft. De laag, die thans boven drijft, is die van den adel, vanaf de hoogste namen tot den eenvoudigsten landjonker, die, zooals een Hongaarsch spreekwoord zegt, niets meer over heeft dan zijn zeven pruimenboomen. Deze laag is en was altijd antisemitisch; ze kan het haast niet anders zijn; de strijd om het bestaan dwingt ze er toe. De zooveel agilere Jood is niet gebonden door adellijke waardigheid en velerlei opvattingen, die buitenstaanders vooroordeelen lijken, maar in de kringen der jonkers ongeschreven wet zijn; volgt men ze niet op, dan plaatst men zich buiten den kring en wordt men niet voor vol aangezien. De gezellig levende, goedmoedige, aan enkele beroepen gebonden Hongaarsche jonker, legt het in het maatschappelijke leven af tegen den Jood, die zijn voordeel neemt, waar hij het ziet. Zoo bleven de ā€˛geleerde" beroepen open voor den Joodschen middenstand en de arme Joodsche jongens, die het vaak op die wijze van marskramerszoon tot advocaat, bankbeambte of leeraar brachten. Dat velen hiervan niet tot

Sluiten