Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AMBTENAREN EN BIJKSWERKLIEDEN

12

Regeerings-reactie. — Bij de alg. beraadslaging over de Staatsbegrooting voor 1922 sprak 19 Dec. 1921 Troelstra over de fouten der regeering Ruys-Aalberse en somde, zonder de lijst uit te putten, het volgende op:

de woningcirkulaire van Juni '21;

de vermindering van den steun aan werkloozen;

de slappe manier van werk verschaffen;

de onvoldoende ambtenaars-politiek, vooral gebleken bij de Staking der postambtenaren, waarbij haar autoriteitsgevoel haar parten speelde;

de houding ten aanzien van de onderwijzers;

de toenemende invloed der militaristen op de regeering, waarbij met 50 tegen 48 stemmen' een dienstplichtwet wordt vastflWfcild (met kontingentsverhooging van 13 of bijna 20 duizend a«nnfr'

het weggooien van geld aan de „Zeeland" en de Zuid-Afr. Stoom vaartmpij; het gebeurde met Djambi, enz.

AMBTENAREN EN RIJKS WERKLIEDEN.

Door de ontzaglijke waardedaling van het geld kwamen de belangen der ambtenaren en werklieden, in dienst van de overheid in alle geledingen van ons staatwezen, zeer in het gedrang. De sociaaldemokraten stonden steeds op de bres om het leed, door de tijdsomstandigheden toegebracht, te trachten te lenigen, door te^eren voor de verhooging van de toch al karige salarissen, definitief of met duurte-toeslagen. Wij behandelen hier alleen de rijks-ambtenaren en -werklieden.

Nadat de regeering bij kon. besluit van 3 September 1918 een nieuwe salaris-regeling, te rtekenen vanaf 1 Januari '18, had ingevoerd, sprak J. ter Laan daarover 12 December 1918 ter gelegenheid van de behandeling der Staatsbegrooting, in de Tweede Kamer. Hij stelde de volgende motie voor:

„De Kamer, van oordeel, dat de salarisregeling van het rijkspersoneel, zooals die is vastgelegd in het salarisbesluit, ontoereikend moet worden geacht;

van oordeel voort, dat door het toekennen van een duurtetoeslag alleen aan de ambtenaren die kinderen of daarmede gelijk te stellen personen te hunnen laste hebben en het toekennen van een hoofdbijslag in beperkte mate als door de Regecring aangegeven, de nijpende duurte niet voldoende kan worden bestreden;

noodigt de Regeering uit, een herziening van het salarisbesluit voor te bereiden, in afwachting daarvan voor het lagere personeel het minimum en maximum salaris belangrijk op te voeren en over het jaar 1919 aan het personeel, over welks arbeidskracht ten volle wordt beschikt, een duurtetoeslag toe te kennen van minstens ƒ300".

Sluiten