Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AMBTENAREN EN RIJKSWERKLIEDEN

14

dienst". Er werd ingesteld een centrale kommissie van overleg in ambtenaarszaken, welke kommissie van advies dient over aangelegenheden van algemeen belang voor den rechtstoestand van ambtenaren en werklieden van Rijk en Rijksinstellingen. De kommissie is parithetisch samengesteld uit ambtenaren, voor de helft (7) aangewezen door de Kroon en voor de andere helft (7) benoemd door de ambtenaren-organisaties van verschillende kleur. De voorzitter wordt met algemeene stemmen door de kommissie benoemd. Zoo niet, dan benoemt de minister hem. De vergaderingen zijn besloten, doch een verslag met beknopte samenvatting kan geheel of gedeeltelijk het verhandelde publiceeren. 29 Maart 1921 werd een geringe wijziging aangebracht (Stbl. 640).

Salarisregeling. — 30 September 1919 interpelleerde Helsdingen over de salarisregeling van ambtenaren en Rijkswerklieden, meer in 't bijzonder omtrent invoering der nieuwe salarisregeling op 1 Juli 1919. 7 September was in den Haag intusschen een demonstratief kongres van ambtenaren gehouden, waarin de eisch werd gesteld van onmiddellijke invoering Van de nieuwe regeling, met terugwerkende kracht tot 1 Juli '19. De regeetïng wüde het voor de ambtenaren (voor de werklieden echter eerder) laten ingaan op 1 Januari 1920 en bleef daarbij in het debat. De kath. Bomans dankte slechts de regeering en zei, dat alles goed was, ofschoon de kath. arbeiders van de post en telegrafie twee maanden extra salaris eischten, met een minimum van ƒ250, terwijl Helsdingen slechts terstond ƒ 200 vroeg. Bomans speelde de cijfers van de gemeentewerklieden te Amsterdam en Wibaut uit, doch liet de duurtetoeslagen daarbij weg! Helsdingen's vragen waren de volgende:

1. Is de Regeering bereid een toeslag in eens van ƒ200 te geven aan de rijkswerklieden?

2. Onmiddellijk in te voeren de door de hoofden en loonkommissies ingediende of binnenkort in te dienen loonvoorstellen met terugwerkende kracht tot 1 Juli 1918, met direkte uitbetaling van den achterstand, zonder korting van den achterstand,, zonder korting van de extra uitkeeringen?

3. Zoo ruim mogelijk toe te passen de duurtetoeslagregeling 1919 en zoo spoedig mogelijk uit te betalen de nog te góed zijnde bedragen en den kindertoeslag?

4. De zeer uiteenloopende loonen van de onderscheiden kategoriën van rijkswerklieden tegen 1 Januari 1920 te vervangen door een algemeene, gelijkluidende loonregeling, in den geest als door de Salariskommissie voor burgerlijke rijksambténaren is ontworpen en wordt vastgesteld voor ambtenaren-werklieden premie-vrij, en met dien verstande, dat de voor de werklieden voorgestelde bedragen van ƒ 1200—ƒ 1600 voor ongeschoolden; ƒ 1200—ƒ 1700 voor geoefenden; ƒ 1300—ƒ 1800 voor vaklieden; ƒ 1400—ƒ2000 voor meer bekwame vaklieden; ƒ 1600—ƒ2200

Sluiten