Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AMBTENAREN EN RIJKSWERKLIEDEN

16

1920 werd een wetsontwerp' ingediend tot verhooging van alle begrootingsposten voor 1920, ter betaling van de salarissen van ambtenaren en werklieden, zooals deze bij kon, besluit waren vastgesteld» De regeering deelde mede, dat „grootendeels de voorstellen der Salariskommissie zijn gevolgd", In de Mem. van Toelichting treffen wij het volgende aan:

„De Salariskommissie heeft voorgesteld de salarissen toe te kennen onder opheffing van de bijdragen voor eigen pensioen en voor het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren. De regeering heeft evenwel gemeend, dat de beslissing omtrent het achterwege laten van elke pensioensbijdrage niet bij deze gelegenheid kan genomen worden. Die beslissing, welke van vèrstrekkenden aard is, blijve voorbehouden tot de behandeling der wetsvoorstellen betreffende de herziening der pensioenwetten. In afwachting daarvan is thans eene voorziening getroffen, welke feitelijk hierop neerkomt, dat op de wedden eene korting wordt toegepast van 7 pet. over maximaal ƒ3000. Immers zal hetgeen, volgens de thans geldende wettelijke bepalingen, méér wordt ingehouden dan 7 pet., met een maximum van ƒ 210 per jaar, bi) Wijze van vergoeding aan de ambtenaren worden terugbetaald.

Eene bizondere regeling geldt voor ambtenaren, op wie de Weduwenwet voor de ambtenaren 1890 niet van toepassing is, met uitzondering van degenen, die vallen onder de bepalingen van de Loodspensioenwet 1905. Deze uitzondering vindt haren grond in het voornemen, de bedoelde kategorie op te nemen in de algemeene pensioenregeling voor burgerlijke ambtenaren.

Zij, die onder de bijzondere regeling vallen, zullen eene vergoeding ontvangen tot gelijk bedrag als dat van hunne bijdrage voor eigen pensioen, en zulks uit overweging, dat zij, evenals de andere ambtenaren, alsdan feitelijk premievrij eigen pensioen ontvangen, terwijl de aftrek van 7 pet. bedoeld is als eene bijdrage voor weduwen- en weezenpensioen.

Ten aanzien van de ambtenaren, voor wie korting en bijdrage te zamen minder dan 7 pet. bedragen (eveneens met een maximum van ƒ 210 per jaar) zal het meerdere worden ingehouden, opdat ook door hen voor weduwen- en weezenpensioen eene bijdrage van 7 pet. worde betaald".

Boven de wedden kwam, voor salarissen beneden ƒ 5000, een kindertoelage van ƒ50.— voor elk kind beneden de 18 jaren, b o v e n de twee kinderen. In den pensioensgrondslag zou deze toelage niet worden opgenomen.

De kosten waren ƒ 29.593.099 aan traktementsverhoogingen, aan kindertoelagen ƒ 988.900, en aan vergoedingen terzake van betgeen méér ingehouden is dan 7 percent tot een maximum van ƒ 3000, de somma van ƒ 6.000.000. Hier gingen af ƒ 3.600.000, het bedrag, in mindering te brengen wegens korting voor eigen pensioen volgens de toen geldende wetgeving, zoodat de totale kos-

Sluiten