Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17

SALARISREGELING — KINDERTOESLAGEN

ten werden geraamd op ƒ 32.982.000. J, ter Laan zei o.a. over dit voorstel op 23 Juni 1920:

„Aan de hand' van die faktoren is de Salariskommissie gekomen tot de salarissen, zooals die in de aan den Minister voorgestelde regeling waren nedergelegd. Wat doet nu de MiriitfteW Deze stelt zich op het standpunt, dat hij over premievrij pensioen of storting zal debatteeren eventueel bij de nieuwe pensioenwetgeving, maar een regeling voor de storting instelt op zoodanigen voet, dat hij eventueel, als besloten wordt om storting te blijven heffen, deze keffing kan blijven behouden. Wanneer de heer Minister meent dit vraagstuk bij de pensioenwetgeving te moeten behandelen, ga ik daarmede wel akkoord, maar de Minister heeft meer gedaan. Hij heeft van de salariscijfers, door de kommissie voorgesteld, 7 pCt. afgetrokken. Wanneer hij nu in zijn toelichting zegt, dat, behoudens enkele uitzonderingen, hij de voordracht van de kommissie heeft overgenomen, stel ik daartegenover, dat hij over de geheele lijn een vermindering heeft toegepast; dat hij van de salarissen tot ƒ3000 7 pet. heeft afgetrokken en van de hoogere naar evenredigheid minder".

Daartegen vooral richtte zich het verzet en ter L. stelde derhalve met 5 andere soc. dem. een motie voor, luidende:

De Kamer, van oordeel dat het verminderen van de door de Salariskommissie aan de regeering voorgedragen salarissen niet 7 pet. tot een maximum van ƒ 210 niet gemotiveerd is te achten,

noodigt de Regeering uit de salarissen tot het door de Salariskommissie aangegeven peil te verhoogen,

en gaat over tot de orde van den dag".

Deze motie werd 25 Juni 1920 (bl. 2875 der Hand.) verworpen met 36 tegen 29 stemmen, niet rechts tegen links, behalve dat de heeren Braat en Nierstrasz mede tegen en de heeren v. d. Laar, Bakker en A. P. Staalman mede vóór stemden. De christ. arbeidersleiders waren dus allen weer tegen, met de andere kerkelijken. Het wetsontwerp was 24 Juni intusschen zonder hoofdelijke stemming aangenomen (bl. 2870 1919/20).

Kindertoeslagen. — Tegen deze toeslagen bleven de sociaal demokraten, in overeenstemming met de moderne vakbeweging, zich verzetten. Niet omdat een groot gezin geen hoogere inkomsten zouden worden gegund dan een klein, doch omdat kindertoeslagen verkeerd werken voor de arbeiders. De werkgevers (ook de overheid) gebruiken licht het instituut om het loon te drukken. Bij gelijke arbeidsprestatie dient gelijk loon te worden gegeven, anders zoeken de patroons de vaders van kleine gezinnen en de ongehuwden uit, ontdoen zich liefst van de vaders met vele kinderen, terwijl ook de kindertoeslagen wanverhoudingen tusschen de arbeiders onderling in het leven roepen. Deze bezwaren worden ook wel door kerkelijken gevoeld, zoodat b.v. het lid van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, De Wilde, ook geen voorstander van de instelling is.

Sluiten