Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19

ANARCHISME

ANARCHISME.

Door de daad van eenige anarchisten, op 7 November '21, een bom werpen in de woning van een lid van den Mil. Krijgsraad, die over Herman Groenendaal rechtte, is op het anarchisme weer een licht geworpen, en thans een licht van schellen aard. Terwijl Groenendaal in de gevangenis weigert vrijwillig te eten, omdat hij wil protesteeren tegen geweld, als barbaarsch en menschonteerend, plegen deze lieden een gewelddaad, even ergerlijk en wreed als het wreedste militarisme. Zij willen een man treffen, van wien ze op dat oogenblik niets wisten en waarvan zij zelfs thans nog niet weten, of hij Groenendaal, straf schuldig acht of niet. Zij stellen zijn onschuldige huisgenooten, met de dienstboden inkluis, mede op roekelooze wijze in de waagschaal. Als het meisje van den overkant niet door den heer des huizes was tegengehouden, zou zij de huisgenooten van den bedoelden rechter hebben gewaarschuwd en dan hoogstwaarschijnlijk getroffen zijn. En dan om de idee der weerloosheid klem bij te zetten! En de hoofddader beschouwt zich, blijkens het handschrift in Het Leven van 15 Nov. gepubliceerd, als een „idealist". Welk een „ideaal" is dan toch dat anarchisme?!

Overigens kweekt het anarchisme in ons land niets dan verwarring en demoralisatie in de arbeidersbeweging. Zelf liggen de anarchisten jammerlijk met elkander overhoop. Geen kongres. of het Ontaardt in onderling geschimp en besluiteloosheid. Zoo konstateerde het anarchistisch blad De Toekomst zelf na het kongres in den Haag in Oktober 1921:

„Er was veel gewicht in doenerij en weinig strijddrang. Wat is er weer gezanikt en gezeurd!" Er werd „veel onzin verteld" verzekert het blad en na een der redevoeringen „viel het kongres in minstens vier stukken." Zoo konkludeert het blad dan ook: „Op die manier is eenheid onmogelijk" om te besluiten met den raad, dat men niet moet trachten alle anarchisten te omvatten, want: „met menschen die niet willen samenwerken moet men ook niet probeeren samen te werken", en: „laat men niet bijeen lijmen wat niet bij elkaar hoort".

„Recht van Allen", van Kolthek, schreef in denzelfden geest. Er „ontbrak alle samenhang en zelfs van een geestesgemeenschap was weinig te bespeuren". Het „was ontzettend om waar te nemen hoe deze geheele bijeenkomst stond buiten alle verband met het geweldige wereldgebeuren". En eindelijk: „Wij hebben ervaring van anarchistische konferenties en kongressen, doch dit was het meest ontmoedigende dat wij hebben meegemaakt. Naast gebrekkigen opzet en zwakke leiding, bleek ons ook de verwildering van ideeën omtrent strijd voor de verwezenlijking van het vrijheidsideaal, ontstellend te zijn toegenomen".

Sluiten