Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

ANTI-REVOLUTIONAIRE PARTIJ

Nederlandschen Staat tot ontwikkeling gebracht; en door de Grondwet als zoodanig bevestigd.

3. Ook op staatkundig terrein belijdt zij de eeuwige beginselen van Gods Woord; zóó evenwel) dat het staatsgezag noch rechtstreeks, noch door de uitspraak van eenige kerk, maar alleen in de consciëntie der overheidspersonen, aan de ordinantiën Gods gebonden zij.

Hoe die „eeuwige beginselen van Gods Woord" werden en worden uitgelegd weet' men. Dr. Kuyper is in zijn leven betreffende de toepassing radikaal veranderd en ook thans leven er zeer verschillende meeningen in.

Hoe de Anti-Rev. partij in haar doel en streven is mislukt, heeft niemand beter aangetoond dan de anti-revolutionaire prof. Fabius, die daarvoor tenslotte de Partij uitgedreven is. Deze gaf b.v. in het op het einde van 1920 verschenen nummer van „Studiën en Schetsen" de volgende opsomming van de beginselverzakingen dezer partij. Hij schreef het volgende:

„De werkzaamheid der anti-revolutionaire partij — althans in hare bovenlaag — heeft zich in latere jaren vooral geopenbaard in het zich neerleggen.

Men legt zich neer bij leerdwang.

Bij vaccinedwang.'

Bij openbare armenzorg.

Bij de staatsloterij.

Bij algemeen stemrecht.

Bij vrouwenstemrecht.

Bij verkiezingsdwang.

Bij staatspensioen.

Bij een wettelijken werkdag van 8 uren. Bij het verbranden van lijken.

Zoo wandelt men gemakkelijk over haar heen, en heerscht de vrijzinnigheid; schier onberoerd".

„Het Volk" van 5 Februari 1921 gaf op deze lijst eenig kommentaar, waaraan wij het volgende ontleenen:

Het algemeen stemrecht werd steeds veroordeeld als „revolutionair", als het slechts rekenen met „een aantal zielen op een stuk grond", zooals de drogredenatie luidde; maar het algemeen stemrecht kwam, van afschaffing is geen sprake meer en de heeren anti-revolutionaire leiders regeeren gaarne bij de gratie van dit eens verfoeide stelsel. Het vrouwenkiesrecht was onzinnig, want de man was het hoofd des gezins en volgens Paulus moest immers de vrouw „zwijgen in de gemeente". Het kiesrecht der vrouw is er echter onherroepelijk gekomen, met medewerking minstens van de ministers in het kabinet-Ruys. Dr. Kuyper pleit er in zijn „Anti-revolutionaire Staatkunde" (deel II, bladz. 357 e.v.) nog wat over na en troost zich met 1 Timotheüs V, vers 9, waar het handelt over oude en jonge weduwen, maar de zaak is tegen de anti-revolutionaire beginselen in af-

Sluiten