Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

81

ANTI-THESE POLITIEK

gang. Alleen zal voortaan niet meer de Gereformeerde Kerk de „publieke kerk" zijn, maar de Roomsen-Katholieke. Dit leidt mij tot ons tweede bezwaar.

Door de wederinstelling van het gezantschap wordt het rechtsgevoel van een groot deel des volks gekrenkt.

Nederland als zelfstandig» .Staat is ontstaan uit het verzet tegen de macht der Roomsch-Katholieke geestelijkheid over de leden der kerk, op grond dat men gehoorzaamheid verschuldigd was aan Jezus Christus, die het Hoofd der gemeente is en deze niet den Paus als zijn plaatsvervanger gesteld heeft. Het verzet was dus een daad van gehoorzaamheid aan God. Die daad is verricht mét opoffering van goed en leven.

Daartegenover'staat de overtuiging der Roomsch-Katholieken» dat dit verzet was ongehoorzaamheid aan het goddelijk gezag. Kalmweg zegt dan ook nu nog „De Maasbode" van 29 Sept. j.L, in een artikel over de terreur der kommunisten:

„Deze terreur kan slechts twee dingen inluiden: of het einde van dit geslacht of het einde der eeuwen van duisternis en barbaarschheid, die begonnen met de stellingen van Wittenberg en eindigden met de stellingen van Wijnkoop",

M. a. w. de afvallige monnik Luther ontwikkelt zich, na 4 eeuwen, tot den Jood Wijnkoop. Ook in de oogen der RoomschKatholieke partij is de wederinvoering van het gezantschap een principiëele kwestie. Aan het slot zijner rede van 10 Juni (Handelingen, blz. 1507) sprak dr. Nolens dat nog eens uitdrukkelijk uit; in die rede herinnerde hij aan het beginselprogram der Roomsch-Katholieke partij*'. ,

Het amendement-Lohman (om het gezantschap te weigeren) werd 23 December '20 verworpen met 48 tegen 29 stemmen-. Vóór stemden, met de socialisten, de chri^i-hist. heeren Schokking, Bakker, Snoeck flSenkemans, van Veen en Lohman, benevens de anti-rev. Weitkamp en Staalman. Tegen alle andere aanwezige kerkelijken. (Zie hierover voorts onder Pauselijk gezantschap.)

Hetzelfde verschijnsel treft men aan op het gebied der Staatsloterij.' '|4r. Beumer, anti-revolutionair, diende 4 December 1919 (Hand. bl. 751) een motie met de uitspraak, „dat de afschaffing der Staatsloterij noodzakelijk,!*." Zijn geestverwant, de anti-rev. mr. de Vries, zei 4 December '19, dat bij in beginsel wel tegen loterij is, maar de Staatsloterij handhaaft, omdat de menschen anders naar elders gaan, naar een ongecontroleerde loterij. Mr. Beumer echter beriep zich op den liberaal Vissering, die in de Gids van 1865 opgemerkt heeft „dat de Staatsloterij een schandvlek was voor den Nederlandschen Staat." Het is overigens bekend, dat de Katholieken volstrekt geen beginsel-bezwaar hebben tegen de Staatsloterij, en dat in het kabinet-Kuyper de kath. minister Kolkman den 14

Sluiten