Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35

ARBEIDSGESCHILLEN WET

namens zoodanig gedeelte van. hen, dat naar het oordeel van den Rijksbemiddelaar de tusschenkomst van den bemiddelingsraad kan lei' Wn tot vereffening van bet geschil, althans tot eene aanzienlijke beperking van het aantal daarbij betrokken personen".

De eerste twee leden van art. 22 luiden als volgt;

„1. Partijen kunnen zich met medewerking van den Rijksbemiddelaar verbinden een geschil te onderwerpen aan de uitspraak van een scheidsgerecht overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf en met de gevolgen, in deze paragraaf omschreven.

2, Indien partijen zoodanige beslissing wenschen, verzoeken zij den Rijksbemiddelaar schriftelijk zijne medewerking te willen verleenen".

De bemiddeling kan in een 5-tal gevallen worden gewijzigd. De verbintenis moet door een akte bekrachtigd worden. De Rijksbemiddelaar kan, volgens art. 29, niet als scheidsman optreden. We nemen nog over art. 51, omtrent het voorkomen van geschillen:

„De Rijksbemiddelaar kan op verzoek van werkgevers en arbeiders dezen bijstaan bij het treffen van overeenkomsten, die op den arbeid betrekking hebben, voor zoover deze overeenkomsten eene goede verhouding tusschen patroons en werklieden kunnen bevorderen en storingen in den arbeid kunnen voorkomen".

In de afdeelingen der Kamer werd dit ontwerp door „zeer vele leden" toegejuicht. En vervolgens heette het:

Reeds lang werd behoefte gevoeld aan een meer doeltreffende wijze om geschillen tusschen werkgevers en werknemers te voorkomen en bij te leggen. Het algemeen belang is bij vele arbeidskonflikten in zoo hooge mate betrokken, dat het optreden van de regeering onontbeerlijk is. Meermalen werd reeds om hare bemiddeling gevraagd, o.a. bij het konflikt in het havenbedrijf. ... Het is daarom veel beter, dat er permanente organen bestaan, dan dat in dergelijke spannende oogenblikken nog de vereischte bemiddelingsorganen in het leven moeten worden geroepen.

Aldus deze leden.

Andere leden, die waarschijnlijk weergaven wat er leeft in de moderne arbeidersbeweging, stonden sceptisch tegenover dit wetsontwerp.

„Sommigen hunner achtten het een uitvloeisel van de idealistische (lees: ideologische] opvatting, dat arbeidsgeschillen kunnen worden voorkomen of beslecht, indien de Overheid daarvoor slechts de geschikte personen en organen aanwijst. De strijd tusschen kapitaal en arbeid is echter een strijd van macht en hij die de macht heeft zegeviert.'Noch bij de werkgevers, noch bij de arbeiders blijkt, zoo betoogden deze. leden, bij gerezen geschillen behoefte te bestaan aan het optreden van derden om

Sluiten