Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARBEIDSK0NFBB,BNTD3 VAN DEN VOLKENBOND

36

deze uit den weg te ruimen. Slechts als de strijd op het doodo punt komt, denkt men aan bemiddeling. Dat de Minister daarin wil voorzien, verdient aanbeveling, maar men moet zich van de resultaten niet te veel voorstellen. Andere der hier aan het woord zijnde leden merkten voorts op, dat het slagen der bemiddeling geheel afhankelijk is van den daarvoor aangewezen persoon. De Rijksbemiddelaars.... zullen praktisch onderlegd moeten zijn en met voorzichtigheid en beleid moeten optreden. Hunne positie zal moeilijk zijn en het is te vreezen, dat zij slechts zelden het vertrouwen van beide partijen zullen genieten. Naarmate van hunne politieke overtuiging zullen zij gewild zijn bij de patroons of bij de arbeiders".

Voorts werd door verscheidene leden de vrees voor te groote toename van ambtenaren geuit.

In de kringen van het Vakverbond gaan stemmen op die' uiting geven aan de vrees, dat de positie der arbeiders zal worden verzwakt, als officieele bemiddelaars zich zullen opdringen In een aanstaanden strijd, die misschien met sukces uitgevochten kan worden of door bespreking onder hoogdruk der machtsverhoudingen bij voorbaat kan worden gewonnen.

ARBEIDSKONFERENTIE VAN DEN VOLKENBOND.

Washington. — Van 29 Oktober tot 29 November 1919 werd te Washington gehouden de algemeene konferentie van de vertegenwoordigers der leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid van den Volkenbond.

Deze organisatie is een uitvloeisel van deel XIII van het Vredesverdrag van Versailles. Op de konferentie waren 41 landen vertegenwoordigd, voor Nederland waren aanwezig: dr. W. Nolens, voorzitter, en voorts de heeren J. A. E. Verkade voor de werkgevers, J. Oudegeest voor de arbeiders. Suze Groeneweg en mej. H. Kuyper als technische adviseurs voor de regeering; als tech. adv. voor de werkgevers de heeren S. ten Bokkel Huinink, J. ter Haar Jr. en H. Blomjous en als techn. adv. der arbeiders de heeren P. Serrarens, G. Baas en B. Holtrop. De konferentie nam zes ontwerp-verdragen en zes „aanbevelingen" aan; de ontwerp-verdragen moesten vóór 27 Januari 1921 aan de bevoegde, d.i. voor Nederland de wetgevende macht, voorgelegd worden. De Nederlandsche regeering kwam pas 21 Juli 1921 met een reeks wetsontwerpen, om öf onmiddellijk tot het ontwérp-verdrag toetetredenöfde Kroon de bevoegdheid te verleenen om toe te treden. De wetsontwerpen strekten tot:

le. voorbehoud der bevoegdheid tot toetreding tot het ontwerp-verdrag van Washington, strekkende tot beperking van den arbeidsduur in nijverheidsondernemingen tot acht uren per dag en acht en veertig uren per week;

Sluiten