Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

39

GENÈVE

afgevaardigden worden door de regeering aangewezen in over* eenstemming onderscheidenlijk met de voornaamste vakorganisaties van werkgevers en arbeiders.

Daar het N. V. V. verreweg het sterkst is, benoemde de regeering in 1919 Oudegeest tot afgevaardigde. In 1921 heeft mr. Aalberse uitgedacht, dat dit anders moet worden uitgelegd, n.1. dat een groepeering naar klasse-standpunt mogelijk is en derhalve de moderne organisatie in de minderheid en dus niet de voornaamste is! Voor de konferentie in Genève, in 1921, werd reeds een andere delegatie samengesteld. Natuurlijk dat bet N. V. V. zich daartegen verzet. In een schrijven van Oktober 1921 aan Internationaal Arbeidsbureau te Genève zegt de Nederlandsche delegatie van N. V. V. onder meer:

„Reeds dadelijk is tegen dit besluit door ons Verbond bij de Nederlandsche regeering verzet aangeteekend, omdat dit besluit in strijd is met artikel 389, 3e lid van het Vredesverdrag en niet overeenstemt met dé interpretatie, gegeven door niemand minder dan dr. Manley O'Hudson, den juridischen adviseur van het bureau der konferentie te Washington en welke te vinden is op pagina 203 en 207 van den Franschen en Engelschen tekst van net officieel verslag.

Nadrukkelijk merkt ons bestuur hierbij op, dat deze interpretatie zonder eenige tegenspraak is geaccepteerd.

Niettegenstaande de verschillende pogingen, welke zijn Aangewend, om de Nederlandsche regeering op haar besluit te doen terugkomen, heeft deze haar standpunt gehandhaafd ofschoon omtrent de vraag, welke organisatie van arbeiders in Nederland de meest representatieve is, geenerlei verschil van meening kan bestaan.

De stand van het ledental der Nederlandsche Vakcentralen was op 1 Januari 1921 als volgt:

Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen 225.367, Bureau voor de Roomsch-Katholieke Vakorganisatie 157.998, Christelijk Nationaal Vakverbond in Nederland 76.488, Algemeen Nederlandsch Vakverbond 51.983, Nationaal Arbeids-Sekretariaat 36.038, terwijl sinds dien de verhoudingen geen of slechts zeer geringe wijziging hebben ondergaan".

Het bestuur protesteert dus en wijst op de gevolgen.

Op het kongres te Genève in November '21 zelf werd intusschen niet bijzonder veel tot stand gebracht, al is het beslotene niet te versmaden en waren de omstandigheden ongunstig. De landarbeids-wetgeving werd van de agenda afgevoerd en de Nederlandsche afgevaardigden dr. Nolens en de ir. Zaalberg gaven daaraan hun stom. De minister van arbeid verklaarde, in zijn redevoering van 1 Dec. '21 (bladz. 824) daartoe van sociaaldem. zijde gevraagd, dat het geschied was, omdat de arbeidswetgeving in de landen zelf geleidelijk moet worden opgebouwd en daarna pas internationaal geregeltL Vroeger, zet bij, beweerden de reactionairen steeds, dat eerst de arbeids-

Sluiten