Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al

ARBEIDSWET 1919

te trachten eenige bepalingen omtrent loon en arbeidsduur te zullen opnemen en dat hij de vakorganisaties zou willen hooren. Heijkoop was hiermede niet tevreden, doch wilde de zekerheid, dat de Mij. „Zeeland" de vakorganisaties zou hooren. Hij stelde derhalve 26 Nov. '18 de volgende motie voor:

„De Kamer, van oordeel, dat de arbeidsvoorwaarden van het personeel der Maatschappij „Zeeland" dienen vastgesteld te worden in overleg met de betrokken vakvereenigingen, en minstens gelijk moeten zijn aan de loonen en arbeidsvoorwaarden, geldende in soortgelijke bedrijven,

noodigt den Minister van Waterstaat uit, de in artikel 17 bedoelde goedkeuring eerst te geven als aan deze opvatting is voldaan", (Blad 532).

19 Dec. 1918 werd de behandeling dezer zaak voortgezet. De minister had toen tegen aanvaarding der motie geen bezwaar en de Kamer nam haar na wijziging van de woorden „in overleg" in „na overleg" zonder hoofdei, stemming aan (bladz. 854).

Het ontwerp werd op dezelfde wijze aangenomen.

6 Mei 1919 stelde Heijkoop nog eenige vragen omtrent de arbeidsvoorwaarden bij de werken voor het vergrooten van dé haven voor rijksvaartuigen te Hoek van Holland en voor de buitenhaven te Scheveningen. De vierde vraag was: : „Is de Minister bereid voor nieuwe bestekken de gerechtvaardigde eischen, gememoreerd in het adres van den Centralen Bond van Transportarbeiders van 13 December 1918 aan Zijne Excellentie, in te voeren en in overleg met de leiding van dien vakbond, waarin de betrokken arbeiders zijn georganiseerd, de loon- en arbeidsvoorwaarden voor uit te voeren rijkswerken, voortaan te regelen?" waarop minister König antwoordde:

„In antwoord op vraag 4 kan ondergeteekende mededeelen, dat een herziening van de regeling der arbeidsvoorwaarden bij de uitvoering van rijkswerken, mede naar aanleiding van het adres van den Centralen Bond van Transportarbeiders, bij zijn Departement in onderzoek is".

ARBEIDSWET 1919.

In de woelige dagen van November 1918 werd door minister Aalberse ook toegezegd de indiening van een ontwerp van wet én invoering van den 8-urigen werkdag met een 45-urige werkweek. (Zie onder „Novembe r-b eweging"...) 11 April 1919 werd het ontwerp ingediend, hetwelk door de Tweeae Kamer 11 Juli van dat jaar, door de Eerste Kamer 31 Oktober d.a.v. werd aangenomen. De wet Verscheen 1 Nov. 1919 in het -Staatsblad (No. 624).

Het ontwerp is vrijwel onveranderd aangenomen en bevatte den 8-urendag met de 45-urige werkweek voor arbeiders,^werkzaam in fabrieken en werkplaats en, met mogelijkheid ■tót Uitasonderings-bepalingen gedurende resp. 2 en 4 jaren als

Sluiten