Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARBEIDSWET i 19X9

46

overgang, volgens welken tot een 9- en 10-urendag kon worden gegaan. Voor arbeiders, die buiten fabr. en werkpL, kantoren, hotels, enz. arbeiden (als voerlieden, sjouwerlieden, werklieden bij expeditie enz.) is een 10-urendag en een 55-urige werkweek voorgeschreven, met mogelijkheid om daar beneden te

gaan, tot 8 uur per dag en 45 uren per week. Voorts wordt de mogelijkheid geopend om bij alg. maatregel van bestuur voor arbeiders in kantoren, apotheken, koffiehuizen, hotels enz. en in verplegingsinrichtingen een 10-urendag en 55-urige werkweek in te stéllen, waarbij ook weer naar beneden kan worden gegaan tot 8 en 45 uren. Voor kinderen werd voorgesteld een verbod van arbeid tot 13 jaren of nog leerplichtig, als jeugdige personen werden be-

scnouwa personen beneden 18 jaar. Vrouwen en jeugdige personen waren afzonderlijk beschermd.

Voorts was er een verbod van Zondagarbeid, van nachtarbeid en van van arbeid op Zaterdagmidda g enz. Op alles waren uitzonderingen mogelijk, terwijl er gelegenheid was voor overuren bij opeenhooping van werk. Voor toegestanen nachtarbeid was een ploegenstelsel in uitzicht gesteld.

Daarnaast bestond nog het wetsvoorstel der socdem. Kamerfractie, ingediend 28 Juli 1911, waarin eerst een overgang was van 10 op 8 uren, doch dat in de Novemberdagen tot een zuivere 8-urenwet voor vrijwel alle arbeiders die niet in land- en tuinbouw werkten was geworden; terwijl voor laatstgenoemde bedrijven terstond de 10-urendag en uitzicht op den 8-urendag was geopend. Ook voor huispersoneel waren bepalingen opgenomen.

Het arbeidsverbod voor kinderen was terstond bepaald op verbod van arbeiders tot den 14-jarigen leeftijd of dat het kind nog leerplichtig was. Het ontwerp was in November 1918 geheel gereed voor behandeling. De toezegging en indiening van een regeeringsontwerp bewees echter reeds, dat minister Aalberse de voorkeur gaf aan een eigen ontwerp.

De klerikalen hebben zich ér herhaaldelijk op beroepen, dat het wetsvoorstel-Schaper eerst toch slechts den 10-urendag bevatte* terwijl de voorstellers niet voor Oktober 1918 een memorie^ van antwoord met gewijzigd ontwerp indienden. De waarheid is 1° dat het voorloopig verslag op het wetsvoorstel in 1911 zóó ongunstig was, dat verwerping in het openbaar zeker was, zoodat wachten op een Kamer, gekozen onder het algemeen kiesrecht, in het belang der zaak noodzakelijk was; 2° dat als in 1912 het wetsvoorstel-Schaper was ingevoerd, in 1920 ook de 8-urendag was gekomen, maar dan in 8 jaren tijds geleidelijk van 10 op 8 ingevoerd. In Het Volk van 5 Febr. 1921 verscheen een intervieuw van een Twentsch groot-industriëel

die verklaarde: Wij hadden wellicht beter gedaan, door

ons jaren geleden niet zoo sterk te verzetten tegen het wets-

Sluiten