Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47

ARBEIDSWET 1919

ontwerp van den heer Schaper. Dan zou de overgang niet zoo plotseling zijn geweest." Dit spreekt boekdeelenl Overigens waren eenige bepalingen door min. Aalberse uit het soc.-dem. voorstel overgenomen.

2 Juli 1919 kwam het wetsontwerp in behandeling. Schaper gaf in een redevoering als inleiding de volgende geschiedkundige herinnering:

„Het is dit jaar 30 jaar geleden, dat de eerste socialist hier in het Parlement, de heer Domela Niewenhuis, den achturendag bepleitte. Op 12 December 1889 zeide hij, dat de eerste maatregel, die genomen behoorde te worden, was het vaststellen van een normalen arbeidsdag van 8 uur. En in zijn repliek verklaarde hij, dat, indien de Minister, 8 uren te weinig vindend, zich bereid verklaarde den arbeidstijd te beperken tot 10 uur, dit althans iets zou wezen in de richting, die hij en zijn medestanders verlangden. In datzelfde jaar was te Parijs op het internationaal kongres van socialisten, arbeiders en vakvereenigingen de achturige arbeidsdag op het program gezet.

Al de tientallen jaren daarna hebben de arbeiders geagiteerd en gedemonstreerd voor deze uitstekende sociale hervorming, maar tevergeefs. Door de burgerlijke partijen zijn zij in de zaak schier nimmer gesteund en in elk geval nooit hartelijk, nooit op flinke wijze. In Maart 1909 werd in de Kamer een 10-uren motie aangenomen, de bekende motie-Aalberse, een vervorming, een verwatering van de door mij voorgestelde motie. In 1911 kwam de nieuwe Arbeidswet tot stand, zonder den 10-urendag voor de volwassenen. Al die jaren is deze hervorming hier in het Parlement aanhangig geweest, maar het is niet mogen gelukken haar tot stand te brengen. Thans staan wij voor het oogenblik, dat de Tweede Kamer hoogstwaarschijnlijk den wettelijken 8-, reso. 10-urendag zal aannemen."

Legden de burgerpartijen zich vrijwel bij het ontwerp neer, de vrije liberaal mr. Dresselhuys verweet nochtans den minister, dat deze niet eerst een onderzoek naar de ekonomische omstandigheden had ingesteld. 14 November 1918 had hij evenwel onvoorwaardelijk den 8-urendag en den 6-urendag van de mijnwerkers aanbevolen. Nu was hij er wel „van harte" voor, maar naar aanleiding van een aantal werkgevers-adressen zei bij b.v. op 4 JuÜ '19 het volgende:

„Ik vind dat een buitengewoon gevaarlijke methode en ik kan. mij ook niet vereenigen met het standpunt van den Minister, dat hij bij voorbaat het ekonomiscb leven heeft bemoeilijkt, omdat dit later dan wel kan worden goedgemaakt bij algemeene maatregel van bestuur."

En voorts de volgende draaierij:

„Ik voor mij zou het een buitengewoon gevaarlijk verschijnsel vinden, dat wij als kamerleden geroepen zouden worden om mede te beslissen over allerlei vragen, terwijl ons, ondanks het

Sluiten