Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

55

DE INVOERING — WIJZIGINGEN

dat op 24 Oktober 1920 de Arbeidswet 1919 zou in werking treden, met uitzondering evenwel van de artt. 14 tot en met 21 en 44 tot en met 66, en van de artt. 68 en 69 onder a tot en met d, voorzoover zij betrekking hebben op arbeid in winkels, kantoren, apotheken, koffiehuizen, hotels en verplegingsinrichtingen. Het tijdstip, bedoeld aan het slot van art. 101, 5e lid, onder c (dat is de bepaling, dat voor lSJjarigen niet meer art. 9 omtrent het arbeidsverbod geldt) werd op 1 Juli 1921 gesteld.

Dit alles had dus in hoofdzaak de strekking om te bepalen, dat de wet op 24 Oktober '20 alleen in werking zou treden voor de kinderen, voor de bescherming van vrouwen en jeugdige personen en voor de arbeiders in fabrieken en werkplaatsen. Heel de rest bleef vooreerst onuitgevoerd, en al is het waar, dat voor al die nieuwe kategoriën besluiten moesten worden genomen, het geduld der arbeiders van winkels, café's, apotheken eh verplegenden werd toch wel op een zware proef gesteld.

1 Dec. '21 waren nog slechts de bepalingen omtrent de arbeiders in fabrieken en werkplaatsen ingevoerd. Nu min, Aalberse reeds dacht aan verslapping der wet, waren de bepalingen omtrent de kantoren, winkels, koffiehuizen en hotels, apotheken, verpleeg-inrichtingen en den arbeid buiten fabr. en werkpl. nog nimmer ingevoerd. Schaper sprak daarover dien avond een fel protest nat. De minister evenwel zeide, dat alles geleidelijk moest gaan, naarmate de ambtenaren voor ander werk vrij kwamen. Met de winkelbedienden zou evenwel niet worden gewacht op de wettelijke winkelsluiting. (i>

Wijzigingen. — 12 Oktober kwam in openbare behandeling een ontwerpje, dat 25 Aug. tevoren was ingediend, om in hst, 39, eerste lid, der Arbeidswet de mogelijkheid te openen, nog b a kkersarbeidte verrichten van 8 uur 's avonds tot 6 uur smorgens, in plaats van nog een jaar na het in werking treden van art. 101, vierde lid: „tot 1 Januari 1923". Eerst had het voorstel de strekking om voor onbepaalden tijd in groote bedrijven den nachtarbeid te bestendigen. Later werd dit een tijdelijke maatregel als boven aangegeven. De minister motiveerde dit voorstel met de bewering, dat er moeilijkheden waken voor bepaalde omstandigheden. Schaper verklaarde zich daarvan niet OVettUigd en wilde deze koncessie aan den nachtarbeid niet mede voor zijn rekening nemen. Het ontwerpje werd 12 Oktober 1921 aangenomen met 62 tegen 17 stemmen. De sociaal-demokraten en de kommunisten alleen stemden tegen (bladz. 27).

Het ontwerpjé'ïstond 15 Oktober 1921 reeds in het Staatsblad (No. 1122) en trad terstond in werking.

In Juli 1920 verscheen een voorontwerp tot wijziging der Arbeidswet 1919 van min. Aalberse om in den Hoogen Raad van Arbeid te worden behandeld. Vele wijzigingen

Sluiten