Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARBEIDSWET

58

Mr. Aalberse verklaarde, dat hij niet voor de reactie zou zwichten, doch voort zou gaan op denzelfden weg: de wet toepassen, rekening houdende met de eischen der industrie in dezen tijd.

„De geachte interpeHant heeft gezegd, sprak de minister 25 Oktober (bladz. 205), dat hij geen motie zou voorstellen, maar alleen een vraag wilde stellen, die eigenlijk hierop neerkwam, of ik de wet ook een beetje soepel zou willen toepassen. Mijn antwoord op die vraag is dit, dat ik de wet zoo zal toepassen als naar mijn overtuiging de geest en de strekking van deze wet is, en daarbij rekening zal houden met de zeer bijzondere en abnormale omstandigheden, waarin in dezen tijd onze industrie verkeert. Op een andere manier kan ik de wet niet toepassen".

De heer Drion konkludeerde daaruit, dat hij zijn zin had gekregen en Wijnkoop had de domheid om hem daarin gelijk te geven. Schaper protesteerde tegen deze konklusie en zeide o.a.:

„Ik wil er den nadruk op leggen, dat hiervan geen sprake is en verwacht van den Minister, dat hij dat duidelijk zal tegenspreken. De Minister wil rekening houden met de noodzakelijke omstandigheden van de industrie. Toen de heer Wijnkoop zijn interpellatie hield over Rusland en er zijn vriend Colijn bij haalde, zeide hij ook, dat er handel noodig is met Rusland Omdat men in Nederland belang heeft bij een bloeiende industrie. Is het dan een misdaad van den minister als hij onder zekere omstandibheden rekening wil houden met de noodzakelijke eischen der industrie? Het geldt hier een kwestie van uitvoering en wij zullen nagaan wat de minister doet. Ons beweren is, dat de minister reeds in ver gevorderde mate rekening houdt met de belangen van de industrie en dat hij ernstig wordt gewaarschuwd niet verder te gaan en zich niet door den heer Drion te laten ophitsen op dezen weg meer stappen te doen". ienywi

De minister zei daarop onder meer:

„Bij de toelichting van de overgangs- en uitzonderingsartikelen (n.1. bij de totstandkoming der wet) is uitdrukkelijk gezegd, dat juist in dagen als wij nu hebben die bepalingen noodig zijn om de industrie te helpen. Ik ben tot die woorden dus niet gekomen als gevolg van deze interpellatie, ik ben van plan door te gaan, als ik tot nu toe heb gedaan en daarom heb ik uitdrukkelijk gezegd: als de Kamer dat niet goed acht, dan hoop ik, dat daaromtrent een duidelijke uitspraak zal worden gegeven".

Er kwam geen motie en volgens de algemeene opinie was de interpellatie mislukt.'

Schaper en v, d, Waerden wezen er wel op, dat aan de overzijde — n.1. bij rechts — zich evengoed de reactie bevindt, doch deze hield zich stil. De leden Kuiper, v. Rijzewijk en Smeenk verdedigden den minister. Alleen de heer van Dijk had reeds vóór de interpellatie gedaan gekregen, dat voor i het

Sluiten