Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BELASTINGEN

64

te doen om tot een snelle aflossing van de krisisschulden te geraken," enz.

Bij de behandeling van de voorstellen der regeering tot verhooging van de Inkomsten- en Vermogensbelasting, in Maart 1919, kwam ook deze motie aan de orde. Van der Tempel en J. ter Laan zetten het standpunt der sociaal-demokraten uiteen. V. d. T, bestreed 19 Maart de dikwijls gehoorde meening, dat een heffing ineens het produktieve kapitaal van Nederland zou aantasten. De 97 millioen aan schuldbrieven, die de minister nu door zijn leeningen aan de bezittende klasse bezorgde, moeten ook door bekistingen gefinancierd worden. Het kapitaal is toch uitgegeven, op de een of andere wijze is de rijkdom der natie verminderd. Na gedurende een kwart eeuw met die groote schulden blijven zitten, is in ieder geval verkeerd. Minister de Vries was vroeger zelf voor een heffing in eens, was er echter later op terug gekomen, in navolging vooral van den liberalen mr. van Gijn en gesteund door mr. Treub. (Door Vliegen was ook reeds in de Eerste Kamer de heffing in eens verdedigd). De minister betoogde 26 Maart (bl. 1916) dat met zulk een heffing toch niet alle krisisschuld te delgen zou zijn. Voorts zouden de bezitters, die betaalden, in een lagere klasse komen en dus minder belasting in de toekomst betalen, Het holle van deze redeneeringen valt terstond op. Kon men niet alle schuld door zulk een heffing delgen, toch wel een belangrijk deel; en als de bezitters in de toekomst minder belasting zouden betalen zou dit ruimschoots worden opgewogen door hetgeen zij reeds hadden gestort en waardoor immers ook veel minder noodig was! 28 Maart werd intusschen de motieTer Laan verworpen, en wel met 48 tegen 32 stemmen (bladz. 1941 Hand.) Vóór waren de sociaal-demokraten, de kommunisten, de vrijz.-demokraten en A. P. Staalman, de vrijheidsbonders Fock, dr. Lely, Rink, Otto en de Muralt en de weermachter Wijk. Tegen waren alle rechtschen, dus ook alle christ. arbeidersleiders, benevens de vrijheidsbonders Dresselhuys, v. Rappard, Abr. Staalman, Niemeijer en Visser v. IJzendoorn.

Een den 18den September 1919 door de vrijzinnig-demokraten ingediend ontwerp, „tot heffing van buitengewone belastingen voor een snellere aflossing der krisisschuld", onder den naam van Verdedigingsbelasting III, had de strekking om van 1—25 percent van de vermogens boven de ƒ 50.000 te heffen. Het was eveneens een soort van heffing in eens, ofschoon de som in 10 gelijke termijnen zou kunnen worden betaald. 22 April 1921 werd art. 1 verworpen met 41 tegen 19 stemmen (bladz. 2185 Hand.) Vóór alleen de vrijz.-demokraten, de sociaaldemokraten en de kommunisten.

De belastingpoutiek der regeering — was een andere. Wat de plannen van het kabinet, al spoedig na het optreden blootge-

Sluiten