Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

75

GRONDBELASTING — OORLOGS WINSTBELASTING

niet. Het voorstel werd verworpen met 56 tegen 20 stemmen. Voor de vrijz.-demokraten; de katholieken Stulemeier, Deckers, Engels en Win termans; de christ.-hist. Snoeck Henkemans, Weitkamp, Schokking en Bakker; de anti-rev. Colijn en Duym. v. Twist; de vrijheidsbonders de Muralt en Bijleveld en dr. v. d. Laar en Braat.

Toen kwam het ongewijzigde art. 9 in stemming, waarmede voorloopig het wetsontwerp stond of viel en dat ook den socdemokraten te bezwarend was voor de kleinen. Het werd verworpen met 39 tegen 36 stemmen. Vóór stemden alle kerkelijken, bebahre de katholiek Wijkerslooth, de antirevolutionair Duymaer van Twist en de christel.-histor. Weitkamp, Bakker en Snoek Henkemans. Ook J. ter Laan. Tegen alle andere sociaal-demokraten, de vrijz.-demokraten, de kommunisten, de vrijheidsbonders en de eenlingen A. P. Staalman, v. d. Laar en Braat. J. ter Laan had zich voorgesteld nog eens eerst het ontwerp mee af te handelen en dan tegen het ontwerp te stemmen.

Toen, 13 Mei "21, vroeg de minister schorsing der beraadslaging, (bladz. 2440 der Hand.)

10 Juni '21 diende deze minister een nota in met de volgende wijziging:

„De belasting bedraagt 2 per duizend per jaar van de belastbare waarde der eigendommen.

Aan dengene, die wegens door hem voor landbouw, tuinbouw of veeteelt gebezigd eigendom, dat geen grooter oppervlakte heeft dan in totaal vijf hektaren, krachtens deze wet in hoofdsom meer aan grondbelasting verschuldigd is dan hij daarvoor over het belastingjaar 1922 verschuldigd was, kan, indien de betaling daarvan voor hem buitengewoon bezwarend zou zijn, op zijn verzoek geheele of gedeeltelijke ontheffing worden verleend van dat meer verschuldigde '.

Enz. (volgen formaliteiten). De toevoeging was ontleend aan de wet op Personeele belasting, art. 65 § 3. Minister de Vries beleefde echter als zoodanig geen nieuwe behandeling!

Oorlogswinstbelasting. — 25 April 1919 werd ingediend een ontwerp tot feitelijke opheffing der oorlogswinstbelasting, welk ontwerp voor het eerst op 22 Oktober 1919 in openbare behandeling kwam. 19 April 1919 zou de wet zijn opgeheven. De bedoeling der intrekking zou zijn, te voorkomen dat hei Rijk schade zou beloopen wegens verplichting tot terugbetaling als verliezen geleden worden. Dit was echter anders te vinden en in dien tijd werden nog flink „vredes"winsten gemaakt. Van soeiaal-demokratisch* zijde verzette men zich dan ook tegen de intrekking. Nu was voorgespiegeld een ontwerp-belasting op den vetmogensaanwas, zoodat hét raadzaam was, eerst die wet af te wachten, om aldus te zien, of op andere wijze de winsten konden worden achter-

Sluiten