Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*7

WAARDEVERMEERDERINGS-BELASTING — RECHT OP DE MIJNEN

„Zeer vele leden waren van oordeel, dat het tijdstip van indiening van dit wetsontwerp al zeer weinig gelukkig is gekozen. Voorgesteld wordt een belasting te heffen op de waardevermeerdering van onroerende goederen sedert 1 Jan. 1921 ten behoeve van de gemeenten, waarin die goederen zijn gelegen. Het staat echteridfrijwel vast, dat van een waardevermeerdering van onroerend goed, in den zin van iMïjsstijging, in de eerstkomende jaren geen sprake zal zijn". „De voorgestelde belasting zal derhalve in afeÉenbaren tijd voor de gemeenten weinig of geen baten opleveren".

Er zal van dit ontwerp wel niets terecht komen.

Recht op de mijnen. — September 1919 kwam een ontwerp in voor deze belasting. Het ontwerp beoogde een recht op de mijnen te heffen tot een door de wet te bepalen bedrag. Dit bedrag was voor steenkolen 25 cent voor iedere ton van 1000 K.G. (artikel 13). Voorts waren er heffingen van steenzontW* ct. per ton, enz. Een deel der opbrengst zouden de provineiea en gemeenten, waar de mijnen gelegen ■Jfljn, ontvangen. De gemeenten waar ten minste 25 (later 50) mijnwerkers wonen, kwamen uitsluitend in aanmerking. Voor de provincie was eerst het percentage der opbrengst op 5 percent bepaald, later werd dit 10 percent. Het aandeel der gemeenten is bepaald op 20 percent (artt. 9 en 10).

Bij de openbare behandeling, die 3 Maart 1920 aanving, wees de Jonge er op, dat deze belasting iets weg heett van een indirekte belasting en werd de vrees geuit, dat de kolen er duurder door zullen worden, daar de ondernemers de belasting op den prijs der prödukten zullen leggen. Op grond der Mijnwet van 21 April 1810 werd een heffing gedaan van de winst, wat heel wat anders is. De Jonge gispte deze frontverandering en stelde met 5 andere sociaal-demokraten een motie voor, mede om de gemeenten en provinciën een beter aandeel te verleenen. Deze motie luidde:

„De Kamer, overwegende, dat het wenschelijk is om de heffing van het veranderlijk deel van het recht op de mijnen, te doen geschieden op den grondslag als is aangegeven in art. 35 der Mijnwet van 21 April 1810 (Bulletin des Lois No. 285) onder verhooging van het daarin bepaalde heffingspercentage;

overwegende voorts, dat het een eisch van billijkheid is, om de provinciën en de gemeenten, die bij de ontginningen direct betrokken zijn, een behoorlijk aandeel in de opbrengst van dit j|enjlj,van het recht op de mijnen toe te kennen, ter tegemoetkoming harer in dit verband gedane uitgaven;

noodigt de Regeering uit om, onder intrekking van het tegenwoordige, een ontwerp van wet tot heffing van een recht op de mijnen in te dienen dat rekening houdt met de boven geformuleerde wenschen".

Sluiten