Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BELASTINGEN

— GEDISTILLEERD

78

Deze motie werd door den minister en den katholiek Henri Hermans bestreden, met het oog vooral op het verlangen der gemeenten, om alvast wat te krijgen. Minister de Vries beriep zich op Wibaut, die in een praeadvies verdedigde de heffing van een aandeel in de winst op de mijnprodukten; doch v. d. Waerden toonde aan, dat een aandeel in de ondernemerswinst iets anders is dan deze. Henri Hermans noemde dat maar „principienreiterei". Het voorstel werd 3 Maart 1920 intusschen verworpen met. 43 tegen 18 stemmen. Alleen de sociaal-demokraten en kommunisten stemden voor (bladz. 1450),

Bij art. 10 stelden de Jonge c.s. voor, 50 procent aan de gezamenlijke gemeenten te geven, waar t.m. 100 mijnwerkers wonen, en daarvan de helft aan de gemeenten, waar de mijnen liggen. De heer Henri Hermans stelde bij amendement voor een andere verdeeling, en na eenig loven en bieden met den minister werd het artikel gewijzigd naar aller goedvinden, zoodat bedoelde gemeenten 20 percent en bijzonder bij den mijnbouw betrokken gemeénten nog 20 percent van de zuivere opbrengst zullen omvangen. Met het oog op den nood der Limburgsche gemeenten, nam 3 Maart 1920 de Kamer nu maar zonder hoofdei, stemming het ontwerp aan (bladz. 1457). De Eerste Kamer nam het ontwerp 25 Maart 1920 zonder hoofdei, stemming aan en de wet is vastgesteld 26 Maart 1920 (Stbl. 157).

Gedistilleerd. — Aan de verhooging van den. akcijns op het gedistilleerd hebben de sociaal-demokraten niet mee willen doen; het is mede een belasting op de vrouwen en kinderen der drinkers. Januari 1919 kwam weer een ontwerp in tot verhooging van deze belasting. Art. 1 van het ontwerp luidde:

„De accijns per hectoliter gedistilleerd van vijftig percent sterkte, bij artikel 1 der wet van 4 December 1909 (Stbl. No. 375) vastgesteld op negentig gulden, wordt verhoogd tot honderd vijftig gulden. De verhooging betreft den accijns, die na het in werking treden dezer wet vorderbaar wordt".

De heer Abr. Staalman stelde voor, de belasting op ƒ 100 per H.L. te brengen. Suze Groeneweg zei o.m. over deze zaak;

„De mannen, die werkelijk rekening houden met de verhooging, laten den drank staan, maar de vermindering van het drankgebruik zet geen zoden aan den dijk". Voor het amendement was zij, niet echter op de gronden van den heer Abr. Staalman. Het amendement werd 28 Maart 1919 verworpen met 31 tegen 22 stemmen; de sociaal-demokraten en vrijheidsbonders, benevens de katholieken Engels en v. Dijk vóór. Het ontwerp zelf werd 1 April 1919 aangenomen met 45 tegen 20 stemmen; tegen de sociaal-demokraten, kommunisten, de plattelander Bos, de katholiek v. Dijk en de vrijheidsbonders Buisonjé, Abr. Staalman, de Groot, ter Hall en Treub (bl. 1963).

2 April 1919 nam de Eerste Kamer het ontwerp aan en vastgesteld is het 3 April 1919. (Stbl. 141).

Sluiten