Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89

L ANDSG EBO UWEN — BEZÜINIÖINGSKOMMISSIE

van 's lands gelden door het er op los bouwen door eiken dienst afzonderlijk en het maar oprichten van groote, dure kantoren. Zoo wees Schaper slechte toestanden aan ten opzichte van gebouwen te Winschoten, voor den Raad v. Arbeid, het kadaster en de onderwijs-inspectie.

„In plaats van overleg met elkaar te plegen en één lijn' te trekken gaat iedere dienst op zijn eigen houtje te werk. Dat is het kwaad. De eene minister weet van den anderen niets en de Nederlandsche belastingbetaler betaalt het gelag", (bl. 688).

28 April 1921 pleitte Schaper — met Teenstra (vrijz.»dem.) — tegen een duren bouw voor de belastingadministratie in de Zeestraat, den Haag. Sch. erkende, dat de belastinggebouwen in den Haag treurig zijn; maar hij begreep niet, waarom nu zulk een groot opgezet plan — het vervangen van deze bestaande huizen — moest worden gevolgd.

„Als dit voorstel, zooals het wordt bedoeld, wordt aangenomen", sprak Sch., „weten wij, dat er een ontzaglijk groot gebouw van millioenen komt, dat dan moet worden gemeubeld van a tot z in nieuwen, duren, zeer soliden stijl. Men ziet het aan het gebouw van de posterijen aan de Kortenaerkade ei aan dat hetwelk zal komen aan den Kneuterdijk. Het is schering en inslag: het moet duur, chique en fijn zijn en de schatkist moet het maar opbrengen. Het wordt betaald door denzelfden minister, die altijd klaagt over de millioenen, die hij te kort komt".

Minister de Vries beloofde toen, dat de gebouwen niet zullen worden afgebroken, vóór de Kamer er weer over heeft geoordeeld (bladz. 2278).

Zoo werd door de sociaaldem. fractie 29 Nov, '21 bij „Waterstaat" gestemd tegen de aanvraag van een duur gebouw in de laan Copes te den Haag en tegen gelden voor een landingsplaats voor vliegtuigen, die op zich zelve niet zonder nut, doch te duur was ingericht. De gansche behandeling der staatsbegrooting van 1922 door heeft de fractie deze gedragslijn gevolgd, zonder te willen bezuinigen op het werkelijk nuttige en noodige.

Bezuinigingskommissie, — 21 Nov. 1919 werd zonder hoofdei, stemming een motie-Rink aangenomen, volgens welke de Kamer als haar oordeel uitsprak, dat de meest mogelijke zuinigheid in de huishouding van den Staat noodzakelijk is, en de regeering werd uitgenoodigd doeltreffende maatregelen te nemen waardoor meerdere zuinigheid verkregen zou worden, en aan de Kamer mededeeling te doen van hetgeen zij zou vermeenen in deze te moeten verrichten (bladz. 467 en 472).

Als gevolg daarvan werd 20 Dec. 1920 een bezuinigingskommissie ingesteld, waarvan mr. Rink voorzitter en waarin willekeurig door minister Ruys geen enkele sociaa 1-d e m ok r a a t was benoemd. Deze kommissie' bracht 17 Okt. '21 het eerste deel van haar rapport uit, dat 26 Nov. in druk werd

Sluiten