Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

93

KOIiBNKRBDIRT AAN DUITSCHLAND

pet. tot dit doel aan de Nederlandsche regeering af te staan. Over de rekening B. als renouveleerend krediet (revolving credit) (met een debet van ten hoogste ƒ 140 millioen) wordt zoodanig beschikt, dat de aankoop van grondstoffen uit hoofde van dit krediet in rekening-courant wordt vereffend met den uitvoer van fabrikaten, die uit die grondstoffen worden gemaakt. Enzoo voorts.

Een Maatschappij tot Expl. van Ned. Steenkolenvelden zou de zaak beheeren, 2 Juli 1920 werd dit Ontwerp-verdrag in de Kamer behandeld. Van der Waerden zeide bij die gelegenheid o.m.: „Dat het Wetsontwerp zou zijn geïnstigeerd door ethische motieven, geloof ik niet. De regeering ziet in de kredietverleening ongetwijfeld een min of meer algemeen belang of een belang van de ondernemersklasse. Het is zeer zeker in het belang van de kapitalistische groep, die achter de Maatschappij tot Exploitatie van Steenkolenvelden staat, dat kan dunkt mij door niemand worden betwijfeld. Nu wil ik niet zeggen, dat ik daarom tegen deze kredietverleening zou zijn, maar ik acht het van ons, die dit wetsontwerp hier moeten onderzoeken, een ptiebt, om het volk er op te wijzen, welke innerlijke motieven bij dergelijke ethische transacties een eerste viool spelen".

Erkend moest intusschen worden, dat het met de kolenvoorziening in ons land slecht geschapen stond. Doch v. d. W. vroeg, Welke zekerheid wij hebben, dat de 200 millioen terug komen,

„Wat is hier eigenlijk reëel?" vroeg v. d. W. Dat is de kolenlevering en die is zeer quaestieus. Wanneer die kolen niet worden geleverd, wordt het grondstoffenkrediet tot op de helft verminderd, maar dan zal er toch nog de zeer belangrijke som van ƒ 130 millioen aan Duitschland worden gegeven, een land, waarvan de regeering zelf zegt, dat het zoowel wat de productie als de betalingsbalans betreft, ontredderd is. (Bl. 3035 e.v.)

Min. v. IJsselsteijn vestigde „de aandacht op het feit, dat de Nederlandsche Maatschappij verplicht is 50 pet. van haar produktie naar Nederland te voeren. Dit is toch voor de Nederlandsche bevolking van groot belang, ook uit financieel oogpunt", sprak de minister.

2 Juli werd het ontwerp zonder hoofdei, stemming aangenomen, en eveneens een motie van de heeren Treub, Nierstrasz, Kooien, Colijn, van Beresteyn, Troelstra, Oud, Schokking en Lely, luidende:

„De Kamer, overwegende, dat groote Nederlandsche belangen worden geschaad door de willekeurige niet-nakoming van een aantal overeenkomsten door Nederlanders met Duitsche leveranciers gesloten, riHiani#

noodigt de regeering uit in verband met de kredietovereenkomst van 11 Mei 1920-bij de Duitsche regeering met klem aan te dringen, dat deze al haar invloed zal aanwenden, opdat de met Nederlanders gesloten leverantie-overeenkomsten stipt zullen worden nagekomen", (Bladz. 3039 en 3045).'

Sluiten