Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

99

NEDERLAND-BELGIË

IV. Met betrekking tot Baerle-Hertog:

Een regeling welke een einde maakt aan de bezwaren, voortvloeiende uit de tegenwoordige dooreenmenging van Belgisch en Nederlandsch grondgebied. —

De Ned. regeering had dit alles volstrekt afgeslagen en gezegd, „dat de Regeering zich plaatst op den grondslag der bestaande verhoudingen en er uiteraard derhalve geen sprake kan zijn van een herziening van de traktaten van 1839 in dien zin, alsof de scheiding tusschen België en Nederland, welke in dat jaar haar beslag kreeg, opnieuw en nog wel naar andere beginselen zou moeten worden ter hand genomen".

18 Febr. 1919 deelde de minister mede (bladz. 1431 Hand'.), dat België op de Parijsche konferentie van de vijf groote mogendheden haar zaak had bepleit. Naar aanleiding daarvan werd aan de Belg. regeering om opheldering gevraagd. 6 Maart 19 kon de minister mededeelen, dat de Vredeskonferentie de Belgische eischen ten opzichte van Nederlandsch grondgebied niet kon steunen (bladz. 1731).

3 Juni 1920 deelde opnieuw min. v. Karnebeek, na uitvaardiging van een perscommuniqué, een en ander over den stand der kwestie met België mede. Een nieuwe overeenkomst met België was vroeger bijna afgesloten geweest, toen plotseling storing intrad. De z.g. Wielinge n-k w e s t i e werd opgeworpen. België beweert, dat de Wielingen 'Belgisch gebied zijn, daar ook gedurende den oorlog dit gebied als oorlogsterrein van de entente-mogendheden is beschikbaar gesteld. De Ned. regeering ziet daarin geen reden om van de soevereiniteit afstand te doen. Toen het ontwerp-verdrag, na beëindiging der bespreking, overigens ten overstaan van de Kommissie van 14 zou worden afgesloten, met een verklaring omtrent de beweerde soevereiniteit op de Wielingen van weerskanten, kwam in de bijeenkomst van 21 Mei 1919 België ophieuw met den Wielihgen-eisch. In een brief zeide de Belg. delegatie, „dat de Belgische Regeering met het oog op de door de Nederlandsche delegatie op 3 Mei toegezonden nota betreffende de Wielingen het onmogelijk achtte de onderhandelingen betreffende de herziening van de tractaten van 1839 voort te zetten, zoolang niet het „door de Nederlandsche Regeering in het leven geroepen geschil" betreffende de Wielingen een oplossing zoude hebben gevonden, die de rechten van België verzekert en zijn essentieele belangen waarborgt". Tot diskussie over dezen brief verklaarden de Belgische gedelegeerden zich niet gemachtigd.

De minister deelde mede, dat onze regeering het denkbeeld der arbitrage naar voren heeft gebracht, dat zij zich ook genegen heeft verklaard het geschil in het status quo te laten en, toen dit door de Belgische delegatie, met machtiging der Belgische Regeering onder bepaalde voorwaarde werd voorgesteld, dit voorstel heeft aanvaard en zich volkomen daarnaar heeft gedragen.

Sluiten