Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

103

PAUSELIJK GEZANTSCHAP — ARMENIË

invloed kon uitoefenen op de komst van den vrede. Bij de indiening der begrooting voor hoofdstuk III, buitenl. zaken voor 1921, werd door min. v. Karnebeek eind 1920 een voorstel gedaan om dat gezantschap definitief te handhaven (zie onder „A n t i t h e s e-p o 1 i t i e k"). 22 Dec. 1920 kwam dit voorstel in bespreking. Een voorstel-de Sav. Lohman om den post te schrappen, wat tevens ƒ 300.000 zou besparen, werd 23 December met 48 tegen 29 stemmen verworpen. Voor stemden alle christ.-historischen, de sociaal-demokraten, de kommunisten, dr. v. d. Laar en de beide Staalmans. De vrijz.-demokraten stemden tegen, omdat de minister hen. had overtuigd, dat de post als middel van verkenning en invloed moest blijven bestaan (bladz. 1313). De sociaal-demokraten stemden tegen niet uit anti-papisme, doch omdat zij, die voor scheiding van kerk en staat zijn, in dezen voor een kerkelijk gezantschap geen gelden van Staatswege kunnen voteeren. In het verkiezingsprógram van 12/13 April 1914 van den Vrijz. Dem. Bond verklaart deze bond zich voor „volledige toepassing van het beginsel van scheiding van kerk en staat" (86). Hier bleek er niet veel van! Maar deze heeren komen dan ook in zulke gevallen niet in debat, doch met korte „verklaringen" vlak voor de stemming: Een motie-Dresselhuys, luidende;

„De Kamer, van oordeel, dat er geen aanleiding bestaat, thans wijziging te brengen in het tijdelijk karakter van de zending bij den Pauselijken Stoel", enz.

werd 23 Dec. 1920 verworpen met 54 tegen 19 stemmen.

Ook hier stemden slechts de sociaal-demokraten, kommunisten, A. P. Staalman en de vrijheidsbonders v. Rappard, Rink en Dresselhuys voor (bladz. 1313).

Armenië. — Voor de verlossing van A rm e n i ë brak 22 Dec. 1920 Troelstra een lans. Hij wilde er heen sturen, dat de groote mogendheden dit vreeselijk door Turken en Bolsjewisten geteisterde land helpen. De tegenwoordige hulp is s c h ij n.

„Wat is nu het bedenkelijke in deze zaak?" sprak hij.

„Wij weten, dat de Caucasus en Klein-Azië vooral vormen het eigenlijke terrein, waarop het Europeesche imperialisme zich tegenwoordig beweegt. Petroleum en de weg naar Indië, ziedaar de twee groote motieven voor allerlei machten om zich op een of anderen voet daar invloed te veroveren".

De Ned. verhouding tot Rusland. — Reeds terstond bij den aanvang van de nieuwe parlementaire periode, in 1918, kwamen de sociaal-demokraten op voor de erkenning van de Sovjetrepubliek door de andere mogendheden en ook door den Nederlandschen staat. 13 December 1918 sprak Schaper daaromtrent (bladz. 757Jt.

„Een woord ten slotte over Rusland, De minister stelt zich op het standpunt: die Russische Staat is op dit oogenblik een war-

Sluiten