Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BURGEMEESTERS

106

Deze motie werd 21 Oktober 1921 verworpen met 45 tegen 26 stemmen. Alleen de sociaal-demokraten, kommunisten en vrijz.-demokraten stemden voor (bladz. 168). De vrijheidsbond liet mr. Rink voor de stemming verklaren: „Na de door den minister afgelegde verklaring weten wij, dat deze zaak de volle aandacht der regeering heeft en achten mijn vrienden en ik het onnoodig, onze stem aan deze motie te geven".

(Over Rusland wordt in verband met de taktiek der kommunisten nader gehandeld onder dat hoofdje. De Volkenbond wordt ook onder dat hoofdje afzonderlijk behandeld).

BURGEMEESTERS.

De burgemeester bekleedt in onze staatsinrichting een bizondere plaats. Hij is aangesteld door de Kroon, heeft — volgens mr. van Leeuwen in de Eerste Kamer — geen chef en zou dus een onafhankelijk potentaat kunnen zijn. Echter kan hij volgens art. 60 der Gemeentewet worden ontslagen door de Kroon, indien hij in strijd.handelt met art. 24 (deelneming aan leveranties enz.) „of zich aan wangedrag of merkelijke achteloosheid schuldig maakt". Ged. Staten kunnen hem in zulk een geval voor eene maand schorsen. Bovendien behoeft de Kroon hem om de 6 jaren niet herbenoemen. Herhaaldelijk betrokken de sociaal-demokraten in de Kamer dan ook de burgemeesters in hun kritiek. Zoo Schaper en Hermans inzake den burgemeester van Giessendam, De eerste had dezen burgemeester reeds gesignaleerd in 1917,' bij de vaststelling der begrooting voor binnenl. zaken. 17 Dec. '17 stelde Sch. vast, dat hij 21 Sept. van dat jaar te Dordrecht was veroordeeld tot een geldboete wegens mishandeling. Hermans viel hem 13 Nov. 1919 wederom aan, hij had weer wat geleverd. De minister zeide, dat hij reeds door den kommissaris der koningin was gewaarschuwd. 15 Febr. 1921 stelde Schaper over dezen man de volgende vragen, waaruit het gedrag van dezen „magistraat" voldoende blijkt.

1. Acht de Minister, die blijkens zijn redevoering in de Tweede Kamer, in de zitting van 13 November 1919, aan gegadigden naar het ambt van burgemeester strenge eischen stelt ten aanzien van hun niet revolutionaire gezindheid, het in het belang van een redelijk gezag in een gemeente, dat nog steeds fungeert als burgemeester van Giessendam een persoon, die in 1918 zeer. drakonisch en onwettig optrad tegen verschillende neringdoenden;

die omstreeks dien zelfden tijd werd veroordeeld wegens mishandeling van een soldaat;

die een dame, die te Giessendam in het openbaar kwam spreken ten gunste van het vrouwenkiesrecht, beleedigde en ernstig stompte;

die onlangs een werkloozen arbeider behandelde, als is medegedeeld in de zitting van de Tweede Kamer van 11 Februari j.1.;

Sluiten