Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BURGERLIJKE DIHNSTPIiICHT

li»

Doch de Staat, die de zuinigheid moet betrachten, geeft er tonnen gouds voor uit, terwijl de revolutie niet komt!

Des te erger is dit,1 daar niet overal de heeren burgerwachten zeer zuinig zijn op het gebied der financieele gestie. Volgens „Limburgs Toekomst'' van 29 Okt. '21 was het daar met de rekening en verantwoording lang niet in orde. Van 48 Oktober was er een verslag der fin. kommissie, in welk verslag o.a. Voorkomt:

„Door den penningmeester zijn op 14 Mei 1919 en 31 Maart 1921 telkens een voorschot verleend van ƒ200.—, totaal dus ƒ 400.—. Dit bedrag is verrekend in 40 posten, waarvan geen enkele door quitantie gedekt was. Het is ons derhalve onmogelijk, omtrent dit beheer een advies uit te brengen.

Door den kommandant werd aan Rijksbijdragen geïnd, over de jaren 1919 en 1920, buiten den penningmeester om, de som van ƒ 1036.56, welk bedrag in 1921 met den penningmeester verrekend is, met dien verstande, dat van de navolgende, door den kommandant gedeclareerde bedragen, geene bewijsstukken aanwezig zijn".

Er was veel geld aan loonen uitbetaald, en de kommissie zegt aan het slot van haar verslag:

„Aan het eind van ons verslag gekomen, meenen wij te mogen constateeren, dat het financieel beheer Uwer Vereeniging op een royale wijze gevoerd is. Voor het beheer van den penningmeester kunnen wij — als zijnde de zaken in orde — decharge verleenen; terwijl wij meenen, geene vrijheid te vinden1 lot decharge van den Sekretaris en den Commandant.

Heerlen, 13-October 1921.

w. g, Broun, Knooren, J. Lindeman."

Daar blijft het geld voor de verzekering tegen de „revolutie"!

BURGERLIJKE DIENSTPLICHT.

12 April 1918 reeds, werd een ontwerp op den Burgerlijken dienstplicht'ingediend. Alle ministers in het kabinet-Cort v. d. Linden hadden het onderteekend. Het aangeboden wetsontwerp bedoelt volgens de Mem. van Toel,:

„In de eerste plaats beoogt het, aan de Regeering, voor geval van oorlog de beschikking te geven over alle voorhanden krachten voor welke burgerlijke werkzaamheden» ook,

In de tweede plaats geeft het reeds nu de bevoegdheid, allen, wier werkzaamheid in 's Lands belang niet mag stilstaan, te nopen die werkzaamheid door te' zetten met ter zijde stellen van. alle grieven en elk geschil".

De artt. 1 en 2 luiden aldus:

Art. 1. „Voor alle mannelijke Nederlanders en alle ongehuwde kinderlooze Nederlandsche vrouwen, die Zich binnen het Rijk in Europa bevinden, den leeftijd van zeventien jaren bereikt doch dien van zestig jaren niet overschreden hebben en

Sluiten