Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

111

BURGERLIJK WETBOEK — CH*.-HISTOKISOHE PARTIJ

niet in werkelijken dienst zijn bij zee- of landmacht, bestaat burgerlijkst dienstplicht".

Art. 2. „Burgerlijken dienstplicht worden reeds geacht te vervullen zij, die 'ff-

a. in dienst zijn van eenig publiekrechtelijk fichaam;

b. werkzaam zijn in de bedrijven, bedoeld in art. 3, derde lid;

c. werkzaam zijn in inrichtingen, waar zieken of gewonden worden verpleegd;

d. werkzaam zijn in inrichtingen van onderwijs, een geestelijk öf een godsdienstig-menschlievend ambt bekleeden of daartoe worden opgeleid;

e. werkzaamheden verrichten, nader door Ons aangewezen;

een en ander&voor zoover zij ia hunne gewone werkzaamheden niet zonder schade voor het algemeen belang kunnen worden gemist".

Onder kapitalistisch bewind, met een overmacht van imperialistische invloeden, zal de sociaal-demokratie wel nimmer te vinden zijn voor zulk een dienstplicht. Het ontwerp werd zelfs ,nog nimmer in de afdeelingen onderzocht en zal wel geen wetskracht bekomen,

BURGERLIJK WETBOEK.

Sedert 1904 ligt ter tafel een lijvig ontwerp tot wijziging van het Burg. Wetboek, betreffende de eerste 6 titels. De behandeling laat steeds op zich wachten. Januari 1907 werd weer een (kleiner) ontwerp tot wijziging van het B. W„ ingediend, om spoedig eenige wijzigingen, bedoeld in het groote ontwerp, in te voeren. Ook dit ontwerp echter vordert niet. Tevens ligt o.a. bij de Kamer sedert 28 Febr. 1912 een ontwerp-Helsdingen c.s. om de artt. 2628, 1629 en 1630 te wijzigen en de artt. 1631 en 1632 in te trekken. Dit wetsvoorstel betreft het pachtstelsel, waaromtrent uitvoeriger wordt gehandeld onder „Landbouw".

CHRISTELIJK-HISTORISCHE PARTIJ.

De christ.-hist. partij is een unie van de vrij-anti-rev. of christ.hist. partij van jhr. mr. de Savornin Lohman, van de christ.-hist. partij van ds. de Visser'en de Friesch christ.-hist. partij van mr. dr. Schokking, welke laatste partij indertijd de meest antipapistische was. Het program van beginselen der Christelijk-Historische Unie is 9 Juli 1916 vastgesteld. Aseti^i—4 bevatten de beginselverklaring en luiden:

„Art. ti De regel waarnaar het gezag in den Staat moet worldén!uitgeoefend,cis de in de H. Schrift geopenbaard** Ordening Gods, onverschillig welke de personen zijn, die tijdelijk met eenige staatsbediening zijn belast.

Deze ordening behoort op staatkundig gebied in alles richtsnoer en toetssteen te zijn.

Sluiten