Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CHRISTKLUK-HISTORISCHE PARTIJ

112

Ter beoordeeling op staatkundig gebied van de vraag, wat die ordening Gods is, worde gelet, niet alleen op de stellige uitspraken der H. Schrift, maar ook op het oordeel der Christelijke Kerk en op de leiding Gods, waargenomen in de geschiedenis der volken.

Art. 2, De overheid is, als zoodanig, Gods dienares en in beginsel alleen verantwoordelijk tegenover Hem, aan wien zij-haar gezag ontleent.

Dit belet evenwel niet, dat de personen met uitoefening van de taak der overheid belast, voor hare handelingen aan andere, niet van haar afhankelijke personen, (b.v. Staten-Generaal) verantwoordelijk kunnen worden gesteld.

Art. 3. De overheid is geroepen de ChristelijkjJHiëtorische ■grondslagen van het volksleven te bevestigen en de Christelijke beginselen in het staatsleven te eerbiedigen.

Art. 4. In overeenstemming met de historische ontwikkeling van het Christendom op Nederlandschen bodem moet Nederland bestuurd worden als een Christelijke Staat in Protestantschen zin."

Natuurlijk is de partij voor Oranje en tegen de revolutie, alsmede voor bevordering van Zondagsrust en voor een sterk leger. Ten aanzien van de antithese heeft de partij de volgende tweeslachtige formule (art. 8):

„Art. 8. Vermits geheel het volk zich aan de ordeningen Gods heeft te onderwerpen, verzet de Christelijk-Historische Unie zich tegen een groepeering des volks in twee deelen naar Godsdienstige onderscheiding.

Daaruit volgt evenwel niet, dat geen rekening moet worden gehouden met het feit, dat hier te lande, ten gevolge van de inwerking der beginselen door de Fransche revolutie gehuldigd, en de daaruit voortvloeiende loochening van het Goddelijk gezag op staatkundig gebied, het uiteengaan der politieke partijen ten aanzien van de al- of niet-erkenning van dat gezag heeft plaats gehad en in de hand is gewerkt."

Het is alsof men mr. Schokking hoort in- en uitpraten! Men kan met deze formule alle kanten uit. De sociale paragraaf (art. 19) luidt als volgt:

„Art. 19. Ten aanzien van de regeling der maatschappelijke verhoudingen worde door den Wetgever voortdurend rekening gehouden met den groei , van het sociale leven.

Daarbij sta de gelijkgerechtigdheid van allen, onverschillig in ^welken economischen toestand zij zich bevinden, op den voorgrond, wat met zich brengt, dat er zooveel mogelijk gezorgd worde, dat niemand fen gevolge van zijn economische afhankelijkheid gedwongen worde tot handelingen, die bij meerdere onafhankelijkheid als onzedelijk of onbillijk zouden worden geweigerd.

De overheid is niet geroepen een -ieder een behoorlijk bestaan

Sluiten