Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

COMMUNISTISCHE PAKTIJ

124

stemmers! Nu wilde K. bezuinigen op grond dier notie, n.L inzake de artillerie-inrichtingen (bladz. 1746).

Het zou echter nog mooier worden! 13 Februari 1919 dient Hugenholtz een motie in, om uit te spreken, „dat de tijd gekomen is om tot opheffing van de vloot over te gaan, en een 1 i k w i d a t i e-k ommissie in te stellen. De heer Kruyt, de eenige die bij deze gelegenheid de vaan van het kommunisme hoog houdt, stemt tegen! Maar 19 Maart 1919, dus ruim een maand later, is de opinie weer veranderd en stemt ds. Kruyt voor een motie-Oud, waarin echter van likwidatie niet wordt gesproken, doch alleen gezegd, dat de af- en aanbouw van materieel en ingrijpende reparaties moeten worden gestaakt (bladz. 1831). Dus geen opheffing en likwidatie, maar slechts staking van aanbouw en reparatie! 12 Dec. 1919 durven zij nu wat verder gaan en stemmen Wijnkoop en v. Ravesteijn vóór een motie-Hugenholtz om de marine te likwideeren. De wind waaide dus weer uit een anderen hoek!

Toen 10 Dec. 1920, bij de behandeling van twee tijdelijke militaire wetjes (zie onder „Leger en Vloot") ter Laan alvast een motie indiende: „De Kamer, van oordeel, dat de tijd gekomen is voor de opheffing van het geheele vestingstelsel" enz., toen stemden de heeren kommunisten weer eens vóór.

Maar zelf hebben zij nimmer een voorstel tot ontwapening gedaan, wel steeds gesmaald op het „militarisme" der S.DAPJ

8 Dec. '21 begingen de kommunisten Wijnkoop en Kruyt bét ' kunststukje, bij de grondwetsherziening te stemmen tegen een amendement-Kolthek, volgens hetwelk in de Grondwet zou worden neergelegd, dat personen die gemoedsbezwaar hadden tegen den krijgsdienst, op andere wijze verplicht zouden zijn, de onafhankelijkheid des lands te bewaren. Dit amendement was toch in ieder geval oneindig beter dan wat de regeering voorstelde. Maar de heeren stemden tegen!

Het behoeft niet betoogd, dat de rol die in Rusland het roode leger speelt, de heeren slechts kan verzwakken in hun strijd tegen het militarisme. Toen dan ook bij de behandeling der grondwetsherziening, in Nov. 1921, van Ravesteyn gesproken had over het tegenwoordig oorlogsgevaar, zei Schaper 11 November (blad». 422):

biïöft heer van Ravesteijn heeft gevraagd.' is het oorlogsgevaar thans grooter of kleiner? Dat is, geloof ik, moeilijk te zeggen. Er zijn twee tegenstrijdige tendenzen: aan de eene zijde afkeer van den oorlog en aan den anderen kant de naweeën van den grooten wereldkrijg; het imperialisme en het materialisme, „Eén ding moet ik den heer van Ravesteijn toegeven. Er .'is in één opzicht een grootere kans van oorlog en dat is te wijten aan tteitrenrige houding van Rusland. Wanneer een kommunistische j of een socialistische republiek zich uitsluitend staande wil houden door geweld, door roode legers, tot aan de tanden gewapend, extra gevoed en bevoordeeld, dan moet menigeen wel

Sluiten